Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-04-23
ECLI:NL:RBZWB:2024:9466
Strafrecht
Raadkamer
1,474 tokens
Dictum
[klager]
geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. W.N. Ramnun, Fatimastraat, 4834 XT Breda
hierna te noemen, klager
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 17 oktober 2023 onder klager in beslag is genomen: een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, kleur grijs en voorzien van het [kenteken] (hierna: de personenauto).
het klaagschrift, ingediend op 15 november 2023 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 9 april 2024. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. M.E.W.G. Stals, klager en mr. W.N. Ramnun als gemachtigd raadsman van klager.
Klager is bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager op 18 oktober 2023 is staande gehouden, maar dat hij op dat moment geen personenauto bestuurde. In raadkamer hebben klager en diens raadsman benadrukt dat klager niet heeft gereden. Klager stond namelijk naast de personenauto, de personenauto stond stil en de motor draaide niet. Daarnaast is aangevoerd dat de aanschafwaarde van de personenauto circa € 800,- á € 900,- bedroeg.
De officier van justitie persisteert bij het standpunt in de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, r.o. 2.8 en 2.9, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4o, Sr in verbinding met artikel 552f Sv.
De rechtbank stelt vast dat uit het raadkamerdossier is gebleken dat klager in 2023 is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Daarnaast volgt uit het raadkamerdossier dat klager in de onderhavige strafzaak is gedagvaard voor de kantonrechter op 12 juni 2024.
De rechtbank overweegt dat een belang van strafvordering aanwezig is nu uit het het proces-verbaal een redelijk vermoeden van schuld blijkt. [verbalisant] heeft aangegeven verdachte te hebben zien rijden en klager zou bij zijn staandehouding “is wel goed zo” hebben gezegd. Gelet op de aanschafwaarde van de personenauto en de reeds geplande zittingsdatum, verzetten de beginselen van proportionaliteit en subsidairiteit zich in het oordeel van de rechtbank niet tegen het voortduren van het beslag. De rechtbank acht het gelet op de recidive niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend een verbeurdverklaring over het beslag zal uitspreken.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 23 april 2024 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).