Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2024:9383
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,392 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/425223 / JE RK 24-1423
Datum uitspraak: 31 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. te D.A.H. Veldhof, gevestigd te Goes,
en
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het mondelinge verzoek van de Raad d.d. 31 juli 2024, gevolgd door het schriftelijke verzoek met bijlage van 1 augustus 2024, ingekomen bij de griffie op 1 augustus 2024.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling op 31 juli 2024 van het kort geding dat door de moeder is aangespannen, bekend onder het zaak-/rekestnummer: C/02/424974 / KG ZA 24-374, heeft de Raad mondeling de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzocht. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek, voor zoveel nodig mede in zijn hoedanigheid als kinderrechter, gelijktijdig met voornoemd verzoek voorlopige voorzieningen mondeling behandeld, met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie maanden.
4De standpunten
4.1.
Ter onderbouwing van het mondelinge verzoek is door de Raad het volgende aangevoerd. De Raad maakt zich grote zorgen. Het wantrouwen tussen partijen is groot. De Raad vindt het gedrag van de vader, te weten het weghouden van de minderjarigen bij de moeder, afkeurenswaardig, slecht en zeer onverantwoordelijk. Dit kan en mag niet gebeuren en is het uiten van macht. Door het gedrag van de vader wekt hij de indruk hemzelf en de minderjarigen iets aan te doen wanneer zij niet bij hem zijn. De start van het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gemankeerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moeten contact hebben met de moeder. Een voorlopige toezichtstelling is noodzakelijk om duidelijke afspraken te maken tussen de ouders, te werken aan het herstel van het vertrouwen tussen de ouders en de samenwerking tussen de ouder weer op de rails te krijgen. Daarnaast wordt verwacht dat de GI regie houdt op de nog op te starten hulpverlening.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven dat een voorlopige ondertoezichtstelling op zijn plaats is. De vader wilde de volledige controle over de moeder hebben. Hij kan zijn zorgen over de moeder uitspreken maar zijn handelswijze komt niet overeen. Sinds 15 juli jl. heeft de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer in persoon mogen zien. Ze weet thans nog steeds niet waar ze verblijven. De man geeft er blijk van de relatiebreuk niet in staat zijn te accepteren en hij zet zijn dominante gedrag jegens de vrouw, onverminderd voort waarbij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden geschaad.
4.3.
De vader maakt zich grote zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en ontkent de beschuldigingen aan zijn adres. De vader stelt dat Veilig Thuis geen zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem. De vader vraagt zich af of UHA voldoende is. Desgevraagd wil de vader niet aangeven waar hij thans met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijft; hij is bang dat de moeder mensen op hem afstuurt.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, als bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Op grond van artikel 1:255, tweede lid, BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen op verzoek van de Raad.
Beoordeling
5.4.
Ingevolge de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, komt de kinderrechter tot het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld en dat de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.5.
De kinderrechter maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De situatie tussen de ouders is volledig geëscaleerd. Over en weer is er sprake van veel wantrouwen. De kinderrechter neemt het de vader zeer kwalijk dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] reeds ruim 2,5 week aan het ouderlijk gezag van de moeder heeft onttrokken, waarbij hij weigert de verblijfsplaats van hem en de minderjarigen kenbaar te maken. Dat de vader zich zorgen maakt over de psychische gesteldheid van de moeder rechtvaardigt op geen enkele wijze dergelijk eigengereid gedrag. Er staan de vader andere wegen vrij om zijn zorgen te uiten. Door het onderlinge wantrouwen en de reactie hierop door de vader worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling bedreigd.
5.6.
De kinderrechter acht derhalve een voorlopige ondertoezichtstelling dringend noodzakelijk om zodoende de acute en ernstige bereiding voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen alsmede om de Raad onderzoek te laten (doen) verrichten naar de (opvoed)situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij zullen daarom voorlopig onder toezicht worden gesteld voor een termijn van drie maanden (artikel 1:257 BW). Zoals door de Raad aangegeven wordt de komende periode van de GI verwacht dat er duidelijke afspraken worden gemaakt, er wordt gewerkt aan het herstel van het vertrouwen tussen de ouders, dat zij de samenwerking tussen de ouder weer op de rails krijgen en dat zij regie houdt op de nog op te starten hulpverlening. In de komende periode dient de Raad nader onderzoek te doen en te beoordelen of er een noodzaak bestaat voor een definitieve ondertoezichtstelling.
5.7.
De kinderrechter zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland met ingang van 31 juli 2024 tot 31 oktober 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2024 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink, als griffier, en op schrift gesteld op 12 augustus 2024.