Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-13
ECLI:NL:RBZWB:2024:9311
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428403 / JE RK 24-2011
Datum uitspraak: 13 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT TILBURG, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2007,
hierna te noemen [de minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 november 2024;
de op 11 december 2024 ingekomen brief van de moeder, met producties;
de op 11 december 2024 van [de minderjarige] ontvangen antwoordbrief;
het tijdens de mondelinge behandeling gewijzigde verzoek van de GI, zoals de GI bij brief van 24 december 2024 schriftelijk heeft bevestigd.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder is hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De rechtbank heeft van haar op 11 december 2024 een brief ontvangen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk haar mening kenbaar te maken. [de minderjarige] heeft vervolgens haar mening verwoord in de antwoordbrief, die de rechtbank op 11 december 2024 heeft ontvangen.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige].
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 december 2023 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met ingang van 23 december 2023 tot 23 december 2024.
2.4.
Bij dezelfde beschikking van 6 december 2023 heeft de kinderrechter de machtiging om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere met het gezag belaste ouder, te weten bij de vader, verlengd met ingang van 23 december 2023 tot 23 december 2024.
2.5.
Bij beschikking van 4 oktober 2024 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam een beslissing gegeven op de in het kader van de informele rechtsingang in behandeling genomen brief van [de minderjarige], waarin zij haar zorgen uitspreekt dat, indien de ondertoezichtstelling tussentijds mocht eindigen, zij niet langer bij haar vader kan blijven en zij terug zou moeten naar haar moeder. Deze beslissing luidt dat er geen ambtshalve beslissing wordt genomen over het hoofdverblijf van [de minderjarige]. De reden daarvan is in de beschikking aan [de minderjarige] uiteengezet en toegelicht. Onder meer heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam het navolgende overwogen:
“(…) Nu het de vader is die hetzelfde wenst als [de minderjarige] voor wat betreft haar hoofdverblijfplaats, kan hij die verantwoordelijkheid nemen door een advocaat te benaderen. Die kan namens hem de moeder benaderen voor het bereiken van overeenstemming of een verzoek kan indienen bij de rechtbank (…), opdat de rechter dit geschil op ouder-niveau kan beoordelen. Alsdan zal ook de moeder haar ouderlijke verantwoordelijkheid moeten nemen door (met of zonder advocaat) in die procedure te verschijnen indien zij de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar wenst te behouden. Het is niet passend dat [de minderjarige] zelf een dergelijk verstrekkend verzoek heeft moeten doen. Het is immers niet haar verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat haar hoofdverblijfplaats wordt geregeld. (…)”
3Het verzoek
De GI verzoekt zowel de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] als de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, te verlengen met ingang van 23 december 2024 tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedag] 2025. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de verzoeker
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [de minderjarige] sinds september 2022 op basis van een machtiging uithuisplaatsing bij de vader verblijft. Vanaf de zomer 2022 heeft zij op eigen verzoek geen contact meer met de moeder. [de minderjarige] geeft nog steeds aan geen contact met moeder te willen. [de minderjarige] laat blijken dat dat zij zich door haar in de steek gelaten voelt en dat zij het daardoor moeilijk vindt om haar te vertrouwen. Ook voelt zij zich door haar moeder niet gehoord en gezien. Richting [de minderjarige] heeft de moeder regelmatig per email en in gesprek aangegeven dat zij ervan overtuigd is dat de situatie niet vanuit [de minderjarige] zelf komt, maar dat deze door haar vader wordt veroorzaakt. Ook is gebleken dat [de minderjarige] een eerder voorval, waarbij de moeder haar in de omgeving waar zij met de vader woont klem heeft gereden op een rotonde, als zeer bedreigend en onveilig heeft ervaren en dat zij sindsdien continu op haar hoede is. Inmiddels kampt [de minderjarige] met zeer angstige gevoelens dat de moeder haar bij de vader op zal komen halen indien de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet wordt verlengd.
4.2.
Er wordt in de afgelopen jaren een patroon bij de moeder gezien van onvoorspelbaarheid en onbetrouwbaarheid, wat bij [de minderjarige] keer op keer tot teleurstellingen leidt. Het lukt de moeder niet om in het belang van [de minderjarige] te denken en te handelen. Als voorbeeld daarvan wordt benoemd dat de moeder de zorgverzekering van [de minderjarige] heeft beëindigd. Momenteel is de moeder ook volledig onbereikbaar voor de GI. Ook stagneert het hulpverleningsproces door toedoen van de moeder. Verder is door de moeder niet gereageerd op een door de GI aan haar gegeven schriftelijke aanwijzing en blijft zij gedurende de afgelopen maanden uit contact met de GI. Een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing wordt nog als enige optie gezien, echter betwijfelt de GI of dit tot een verandering van de opstelling van de moeder zal gaan leiden.
4.3.
[de minderjarige] lijkt bij de vader tot rust te zijn gekomen. Dit schooljaar gaat het goed op school. Zij zit in een andere klas en zij heeft aansluiting met vriendinnen en klasgenoten. [de minderjarige] heeft ook al plannen voor een toekomstige studie. Over de opvoedvaardigheden van de vader zijn er geen zorgen. Wel is merkbaar dat de vader niet positief over de moeder kan spreken. De GI deelt in elk geval de opvatting van de vader dat er naar [de minderjarige] geluisterd dient te worden, nu zij een leeftijd heeft bereikt waarop zij serieus dient te worden genomen in haar mening. Naar gelang de moeder in staat is om (emotionele) toestemming aan [de minderjarige] te geven om bij haar vader te wonen, zal aan de behoefte bij de moeder aan contact met [de minderjarige] mogelijk weer voldaan kunnen worden.
4.4.
Uit de beslissing van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam volgt dat deze oordeelt dat de ouders er zelf verantwoordelijk voor zijn om het formele hoofdverblijf voor [de minderjarige] goed te regelen. De GI blijft op grond van de gegeven omstandigheden van mening dat [de minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij betrekt de GI in belangrijke mate de bij haar onverminderd aanwezige angst en het gevoel dat zij het risico loopt om na beëindiging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te worden opgehaald door haar moeder. De GI stelt vast dat door de ouders naar aanleiding van de door de rechtbank Rotterdam gegeven beslissing nog geen actie ter zake is ondernomen. Verder kan de GI zich voorstellen dat het niet verschijnen van de moeder ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door [de minderjarige] opnieuw als een teleurstelling wordt ervaren.
4.5.
Op grond van alle hiervóór beschreven omstandigheden acht de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, zij handhaaft daarom haar verzoek. Indien de ouders er alsnog in mochten slagen tot overeenstemming met elkaar te komen en zaken in het belang van [de minderjarige] goed te regelen, kan worden besloten om de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voortijdig te beëindigen.
5Het standpunt van [de minderjarige]
heeft in haar brief aan de kinderrechter bericht dat zij graag wil dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zodat ook de uithuisplaatsing van haar bij haar vader in stand kan blijven.
6De standpunten van de belanghebbenden
6.1.
De moeder heeft (samengevat) schriftelijk bericht dat het niet verschijnen tijdens de mondelinge behandeling niet betekent dat zij niets om haar dochter zou geven. Wel heeft zij er moeite mee dat er over haar en over haar huidige partner onwaarheden worden gezegd en geschreven en dat haar verhaal door de GI niet wordt gehoord. Op basis van al deze onjuistheden is volgens de moeder de uithuisplaatsing tot stand gekomen. Ook worden er voor [de minderjarige] keuzes gemaakt, waar zij het als ouder niet mee eens is.
Beoordeling
7.1.
Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de gronden bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
7.2.
Uit de inhoud van de stukken en uit het besprokene tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [de minderjarige] bij de vader een stabiele zorg- en opvoedsituatie kent. Ook op school gaat het goed met haar en wordt gezien dat zij aansluiting vindt met vriendinnen en klasgenoten. Daar staat tegenover dat zij angsten en onzekerheden voelt als het gaat om haar woonsituatie. [de minderjarige] heeft formeel haar hoofdverblijf bij haar moeder, maar woont op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar vader. [de minderjarige] geeft al langere tijd aan dat zij geen contact met haar moeder wil. Als reden daarvoor geeft zij op dat zij zich door haar moeder in de steek gelaten voelt en dat haar vertrouwen in haar moeder is geschaad. Ook voelt zij zich door haar moeder niet gehoord en gezien. Gezien is in de afgelopen periode dat de moeder zich volledig onbereikbaar houdt voor de GI, dat zij geen gehoor geeft aan een schriftelijke aanwijzing van de GI en dat uit door haar ondernomen acties niet blijkt dat zij daarbij de belangen van [de minderjarige] voor ogen heeft. Deze opstelling draagt bij ofwel versterkt bij [de minderjarige] het gevoel afgewezen te worden door haar moeder. Ook zorgt deze situatie ervoor dat bij [de minderjarige] de angst aanwezig blijft dat, indien de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing (tussentijds) mochten worden beëindigd, zij door haar moeder zal worden opgehaald bij de vader. Dit opgeteld bij andere zorgaspecten die in [de minderjarige]’s leven een rol spelen, waaronder meer specifiek haar genderidentiteitsontwikkeling, maken dat zij nog altijd ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] heeft in elk geval tot aan haar meerderjarigheid behoefte aan de zekerheid en aan het houvast dat zij bij haar vader kan blijven wonen. Ondanks de ingezette hulpverlening, lukt het de ouders tot op heden niet om dit zelf goed voor [de minderjarige] te regelen. Met name de hiervoor benoemde opstelling van de moeder vormt hierin een belemmering. Mede gelet op de relatief korte periode tot de meerderjarigheid van [de minderjarige], verwacht de kinderrechter niet dat de ouders de wijziging van het hoofdverblijf alsnog zelf (tijdig) voor [de minderjarige] zullen kunnen regelen. Tot slot is gebleken dat de vader nog behoefte heeft aan nadere hulp en ondersteuning voor hem in zijn rol als verzorgende ouder/opvoeder.
7.3.
Op grond van het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling nog steeds wordt voldaan en dat tevens een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [de minderjarige] nog noodzakelijk is.
7.4.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen tot aan haar meerderjarigheid, te weten met ingang van 23 december 2024 tot [geboortedag] 2025 en ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, verlengen met ingang van 23 december 2024 tot [geboortedag] 2025.
7.5.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
Dit leidt tot de navolgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 23 december 2024 tot [geboortedag] 2025;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten bij de vader, met ingang van 23 december 2024 tot [geboortedag] 2025;
8.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
8.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2024 door mr. De Vlieger, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 27 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.