Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-23
ECLI:NL:RBZWB:2024:9266
Strafrecht
Raadkamer
1,541 tokens
Dictum
[verzoeker],
geboren op [datum] 1990 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam (Jolicoeurstraat 8, 1103 TS Amsterdam),
hierna te noemen: de verzoeker.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 8 april 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 3.160,00, € 3.160,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
het op 8 april 2024 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 72,00, voor vergoeding van reiskosten;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
het vonnis van de meervoudige strafkamer van 14 februari 2024 waarbij verzoeker is vrijgesproken;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 9 december 2024. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. M.H. Aalmoes als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie van het openbaar ministerie te laat is verstrekt. Het verzoek kan in zijn geheel worden toegewezen.
De advocaat van verzoeker heeft aangevoerd dat het verzoek om schadevergoeding vanwege deze omstandigheden wordt uitgebreid met een vergoeding van de door de raadsvrouw onnodig gemaakte reiskosten om op deze zitting aanwezig te zijn.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze reiskosten kunnen worden toegewezen.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank voor het laatst werd vervolgd.
Op grond van artikel 533 Sv kan aan een gewezen verdachte een vergoeding van de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden worden toegekend. Voorwaarde hierbij is dat de zaak van de gewezen verdachte is geseponeerd of dat die verdachte niet is veroordeeld.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
De rechtbank acht gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de dagen die hij onterecht in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Verzoeker heeft 31 dagen in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 2 op het politiebureau en 29 dagen in het Huis van Bewaring met beperkingen. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen.
De gevraagde vergoeding is conform de LOVS-uitgangspunten. De rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van
€ 3.160,00.
De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting, voldoende onderbouwd zijn. De rechtbank wijst de verzochte reiskosten ter hoogte van
€ 72,00 toe.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 3.160,00, bestaande uit schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 752,00, bestaande uit:
- € 72,00 aan reiskosten;
en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 3.912,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Aalmoes advocaten, onder vermelding van “[verzoeker] 02-073.347-22”.
Deze beslissing is op 23 december 2024 genomen door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 23 december 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.