Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:9225
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,960 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8032
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. B. Çiçek),
en
de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder.
Inleiding
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 14 november 2024, over het sluiten van een woning met bijbehorend erf aan de [adres] in [plaats] voor de duur van drie maanden (bestreden besluit). Verzoekster heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 december 2024 op zitting behandeld. Verzoekster was daar samen met haar gemachtigde, [gemachtigde] (neef) en [tolk] (tolk) bij aanwezig. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. Verzoekster huurt de woning aan de [adres] in [plaats] . Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 17 april 2024 blijkt dat op 3 april 2024 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning en de daarbij behorende berging op het erf. In de berging is aangetroffen: drie blokken hasj (bruto 309,7 gram) in een koelkast, een Albert Heijn tas met een cash (€ 2.500,-), meerdere gripzakken en een strijkzak. In de bergingkast in de woning is een geldtelmachine aangetroffen.
2. Bij bestreden besluit heeft de burgemeester aan de eigenaar van de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet (Opw) gelast om de woning met bijbehorend perceel per 3 december 2024 (14:00 uur) te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De burgemeester heeft het bestreden besluit aan verzoekster en haar gemachtigde toegestuurd. Verzoekster heeft daar bij brief van 27 november 2024 bezwaar tegen gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter op diezelfde dag verzocht om een voorlopige voorziening. In een e-mailbericht van 28 november 2024 heeft de burgemeester de voorzieningenrechter medegedeeld dat de sluiting van de woning is opgeschort tot drie dagen na de uitspraak in de voorlopige voorziening.
3. Verzoekster heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft besloten tot sluiting van de woning. Volgens verzoekster heeft de burgemeester de exacte hoeveelheid hasj in gewicht niet onderbouwd. Uit de Beleidsregels artikel 13b van de Opiumwet van de burgemeester van de gemeente Tilburg blijkt dat bij een aangetroffen hoeveelheid van minder dan 300 gram een waarschuwing volgt en geen sluiting van de woning. Verzoekster heeft daarnaast aangevoerd dat geen noodzaak bestaat tot sluiting van de woning, omdat sprake is van een groot tijdsverloop tussen de overtreding en het bestreden besluit en omdat geen sprake is geweest van overlast of verstoring van de openbare orde. Daarnaast zal de sluiting zeer grote en onevenredige gevolgen hebben voor verzoekster. Verzoekster kan geen alternatieve woonruimte vinden. Zij beschikt niet over een sociaal netwerk of over middelen om op korte termijn vervangende woonruimte te vinden. Verzoekster is daarnaast gebonden aan de woning. Zij heeft meerdere psychische stoornissen en kan zich niet zelfstandig staande houden in de maatschappij. De sluiting zal negatieve gevolgen hebben voor haar gezondheid. Dit wordt bevestigd in een verklaring van haar psychiater (dr. [psychiater] ) van 21 november 2024. Verzoekster kan ook geen verwijt worden gemaakt van de overtreding. Zij was niet op de hoogte van de drugs in de berging. Haar neef heeft spullen in haar berging gestald na een gedwongen ontruiming van een garagebox. Verzoekster kan zich niet handhaven in de maatschappij en heeft dagelijks hulp nodig. Haar neef is haar mantelzorger. Verzoekster kan niet worden verweten dat zij haar mantelzorger onvoldoende heeft gecontroleerd.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 14 november 2024 tot zes weken na de beslissing van de burgemeester op het bezwaarschrift. Dit betekent dat de woning in ieder geval tot die datum niet gesloten wordt en dat verzoekster de beslissing op bezwaar in haar eigen huis mag afwachten. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat de maatregel tot sluiting van de woning in dit geval evenwichtig (evenredig) is. De voorzieningenrechter heeft daarbij in aanmerking genomen dat uitsluitend softdrugs is aangetroffen. Daarnaast ligt de grens tussen een schriftelijke waarschuwing en een sluiting van drie maanden volgens het beleid van de burgemeester op 300 gram hasj. In de berging is maar iets meer dan 300 gram aangetroffen. De drugs is daarnaast aangetroffen op 3 april 2024 en inmiddels zijn acht maanden verstreken. De voorzieningenrechter heeft ook meegewogen dat feitelijk geen sprake was van overlast bij de woning. Het is ook aannemelijk dat verzoekster niet wist dat er drugs in de koelkast in de berging lag. Gelet op haar ernstige psychiatrische problemen kan redelijkerwijs niet van haar verwacht worden dat zij toezicht hield op de handel en wandel van haar neef en over de spullen die haar neef had opgeslagen in haar berging. Gelet daarop ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter verwijtbaarheid. Uit de verklaring van de behandelend psychiater volgt verder dat verzoekster afhankelijk is van mantelzorg en een bijzondere binding heeft met haar woning. De psychiater heeft namelijk verklaard dat een ontregeling van de woonsituatie van verzoekster door een uithuisplaatsing een uiterst negatief effect zal hebben op haar geestelijke gezondheid. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom hier niet volstaan kan worden met een schriftelijke waarschuwing of een last onder dwangsom als stok achter de deur.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Verder veroordeelt de voorzieningenrechter de burgemeester in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,-, en wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan verzoekster moet vergoeden;
veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2024 door mr. L.P. Hertsig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier. Dit proces-verbaal van de mondelinge uitspraak wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.