Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-20
ECLI:NL:RBZWB:2024:9064
Civiel recht
Bodemzaak
1,965 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11107212 \ CV EXPL 24-1722
Vonnis van 20 november 2024
in de zaak van
ANDERZORG N.V.,
te Groningen,
eisende partij,
hierna te noemen: AnderZorg,
gemachtigde: LAVG,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 mei 2024 met één productie,- de conclusie van antwoord met producties,- de conclusie van repliek, tevens vermeerdering van eis met producties, - de conclusie van dupliek met producties,
- de akte uitlaten producties van AnderZorg.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken.
2De kern van de zaak
2.1.
AnderZorg is deze procedure gestart omdat [gedaagde] de zorgpremie over de maanden november 2023, december 2023 en januari 2024 niet heeft betaald. Dit is een totaalbedrag van € 410,75. Doordat [gedaagde] niet op de tijd de premies heeft betaald, wil AnderZorg dat [gedaagde] ook € 10,64 aan wettelijke rente tot 19 april 2024 en € 74,55 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW betaalt. Daarnaast heeft [gedaagde] een bedrag van € 385,00 aan eigen risico niet betaald zodat AnderZorg haar vordering met dit bedrag heeft vermeerderd. Over dit bedrag vraagt AnderZorg betaling van € 17,92 aan wettelijke rente tot 11 juni 2024 en € 69,88 aan incassokosten inclusief BTW.
[gedaagde] vindt dat zij niets hoeft te betalen omdat er stukken ontbreken waarop zij recht heeft, zoals een wilsverklaring, contract, akte van cessie en een mandaat/volmacht van LAVG, de gemachtigde van AnderZorg. [gedaagde] geeft aan dat niets op een juiste wijze is ondertekend en daardoor de rechtshandeling vernietigbaar is vanwege bedrog. De kantonrechter zal de vorderingen van AnderZorg grotendeels toewijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Beoordeling
3.1.
Voor wat betreft het verweer van [gedaagde] dat een volmacht of machtiging van LAVG ontbreekt waaruit blijkt dat LAVG namens AnderZorg in deze procedure mag optreden en brieven naar [gedaagde] mag sturen geldt het volgende. LAVG is een gerechtsdeurwaarderskantoor. Op grond van artikel 80 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet de kantonrechter ervan uitgaan dat LAVG bevoegd is om AnderZorg (in deze procedure) te vertegenwoordigen en hoeft LAVG geen machtiging te overleggen. Dit is anders als er redenen zijn om aan te nemen dat LAVG niet bevoegd is om namens AnderZorg op te treden, maar dat blijkt niet en [gedaagde] heeft daarvoor ook een redenen aangegeven. Er is ook geen reden dat LAVG zou moeten aantonen dat degene die de stukken heeft getekend en verstuurd bevoegd is om dat namens LAVG te doen. Verder is ondertekening van brieven niet vereist en zijn de dagvaarding en de conclusie van repliek op de juiste wijze opgemaakt en ondertekend. Alles wat [gedaagde] heeft aangegeven over het ontbreken van stukken en de ondertekening van de stukken en brieven maakt niet dat er sprake is van een vernietigbare rechtshandeling vanwege bedrog en dat [gedaagde] de vordering van AnderZorg niet hoeft te betalen.
3.2.
Daarnaast is het niet zo dat [gedaagde] niets hoeft te betalen als AnderZorg de door [gedaagde] gevraagde stukken niet aanlevert, deze voorwaarde kan [gedaagde] niet verbinden aan betaling. [gedaagde] heeft een zorgverzekering bij AnderZorg. De kantonrechter leidt dit af uit de polisbladen van 2023 en 2024 die door AnderZorg zijn overgelegd en op naam staan van [gedaagde] . Daaruit blijkt dat er maandelijks een premie door [gedaagde] betaald moet worden. [gedaagde] heeft ook niet aangegeven dat zij geen zorgverzekering heeft afgesloten bij AnderZorg of dat het niet klopt dat AnderZorg nu betaling vraagt van de premies over de maanden november 2023, december 2023 en januari 2024 en het eigen risico van € 385,00. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat de vordering van AnderZorg juist is. [gedaagde] moet daarom € 410,75 aan achterstallige premie en € 385,00 aan eigen risico betalen.
3.3.
AnderZorg vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding van deze kosten is voldaan, zodat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW toewijsbaar zijn.
3.4.
Voor de door AnderZorg gevorderde wettelijke rente geldt het volgende. De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 410,75 wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente van € 17,92 over het bedrag van € 385,00 tot 11 juni 2024 wordt afgewezen omdat daarvoor onvoldoende is gesteld. Niet is gesteld waarom deze rente verschuldigd is, dan wel dat en vanaf welke datum [gedaagde] in verzuim is. Daarom zal over het bedrag van € 385,00 wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (2 mei 2024) worden toegewezen.
3.5.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AnderZorg worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,39
- griffierecht
€
328,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
802,89
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan AnderZorg te betalen een bedrag van 495,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 410,75 vanaf 19 april 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan AnderZorg te betalen een bedrag van 454,88, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 385,00 vanaf 2 mei 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 802,89, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Borm en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.