Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-18
ECLI:NL:RBZWB:2024:8937
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,248 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/423288 / FA RK 24-2642
datum uitspraak: 18 december 2024
beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning en gezamenlijk gezag
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: voorheen: mr. C.A.E.C.J.M. Hooft te Gilze, nu: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige].
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
mr. [de bijzondere curator], advocaat te [plaats], in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het procesverloop
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 5 juni 2024 ontvangen verzoek, met bijlagen;
- de beschikking van deze rechtbank van 22 augustus 2024, tot benoeming van een bijzondere curator;
- het verslag van de bijzondere curator van 17 september 2024;
- de brief van 23 september 2024 van mr. Van Kerkhof, met als bijlage aan aanvullend verzoek;
- het op 18 oktober 2024 ontvangen verweerschrift;
- het e-mailbericht van mr. Van Kerkhof van 21 oktober 2024, met bijlagen.
Na de mondelinge behandeling is nog ontvangen:
het door mr. Van Kerkhof op 31 oktober 2024 ingediende F5-formulier;
het F9-formulier van 12 november 2024 met als bijlage de akte van erkenning.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 24 oktober 2024. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordiger van de Raad.
Feiten
2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2023.
2.2
De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige].
3De verzoeken
3.1
De man verzoekt, na aanvulling, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de man vervangende toestemming krijgt voor erkenning van [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
- te bepalen dat het ouderlijk gezag over [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, voortaan aan partijen gezamenlijk toekomt.
3.2
De vrouw voert geen verweer tegen het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige]. De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man omtrent het gezamenlijk gezag en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
Beoordeling
4.1
Door en namens de man wordt in het verzoekschrift en tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het navolgende aangevoerd. Partijen hebben een relatie gehad waaruit [minderjarige] is geboren. De man is gedetineerd geweest en heeft [minderjarige] nog niet erkend. Hij vindt het in haar belang dat de biologische band tussen hen formeel wordt bevestigd. De man wil in onderling overleg met de vrouw de erkenning van [minderjarige] regelen maar de vrouw wil hier waarschijnlijk niet aan meewerken. Voor het geval de vrouw niet wil meewerken aan de erkenning van [minderjarige] verzoekt de man de rechtbank vervangende toestemming voor de erkenning te verlenen. Na de suggestie van de bijzondere curator in het verslag van de bijzondere curator verzoekt de man aanvullend hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten. De man hoopt dat de vrouw meewerkt aan het laten registreren van het gezag, maar voor het geval dat niet zo is verzoekt de man de rechtbank hem op grond van artikel 1:253c BW met het gezag over [minderjarige] te belasten. Het uitgangspunt van de wet is dat er zoveel mogelijk sprake is van gezamenlijk gezag tussen de ouders. Er is geen onaanvaardbaar risico dat bij toewijzing van het gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren raakt tussen haar ouders. De vrouw stelt dat zij bang is voor de man maar dit strookt niet met het feit dat de vrouw nog veelvuldig contact heeft met de man. Ook hebben zij pas nog overleg met elkaar gehad om samen naar Disneyland te gaan en hebben zij recent samen een sauna bezocht. De verhoudingen tussen partijen zijn dus helemaal niet zo slecht als de vrouw doet voorkomen. De vrouw overlegt vaak met de man over dingen aangaande [minderjarige]. In tegenstelling tot wat de vrouw stelt is er wel sprake van een goede verstandhouding tussen hem en de vrouw. De man is bereid om een hulpverleningstraject aan te gaan met de vrouw om te werken aan de onderlinge verstandhouding en communicatie. Het liefst wil de man dit traject niet via [hulpverleningsorganisatie] laten verlopen nu hij niet meer zoveel vertrouwen heeft in die hulpverleningsinstantie.
4.2
Door en namens de vrouw wordt in het verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de man lange tijd niet in beeld is geweest omdat hij na de geboorte van [minderjarige] in Frankrijk in detentie verbleef in verband met een verdenking van mensenhandel. Bij [minderjarige] haar eerste verjaardag zat de man wederom vast. In mei 2024 zijn er begeleide bezoeken tussen de man en [minderjarige] opgestart. De man had op dat moment geen vaste woon- en verblijfplaats. Zowel [hulpverleningsorganisatie] als Juvent is betrokken bij partijen. De begeleide bezoeken zijn allerminst soepel verlopen. Het traject is namelijk tussentijds stopgezet omdat de man de vrouw had bedreigd door te zeggen dat hij haar zou gaan vermoorden. Momenteel verlopen de bezoeken goed. De bezoeken vonden eerst op kantoor plaats maar nu gaat [minderjarige] naar de man toe, of gaan ze naar een speeltuin. [minderjarige] is altijd blij als ze haar vader ziet. De vrouw is bang voor de man en zijn netwerk. Als de man boos is, is hij intimiderend en bedreigend. De vrouw heeft geen enkel vertrouwen in de man. De vrouw staat achter de erkenning van [minderjarige] door de man maar wil hier niet aan meewerken omdat de man dan automatisch ook met het gezag over [minderjarige] wordt belast. En dat vindt de vrouw niet in het belang van [minderjarige]. Door de intimiderende houding van de man is er geen communicatie tussen partijen mogelijk. De vrouw maakt zich ook zorgen dat de man [minderjarige] meeneemt naar het buitenland als hij het gezag over haar heeft. Ook de woonsituatie van de man is onduidelijk. De vrouw acht het van groot belang dat er eerst een duidelijk beeld komt van de persoon en het leven van de man. De vrouw heeft gegronde vrees dat de belangen van [minderjarige] klem of verloren komen wanneer partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. Er is nog veel werk te verzetten door de hulpverlening om tot een overleg en gezamenlijk ouderschap te komen. Het verzoek van de man dient dan ook afgewezen te worden. Subsidiair verzoekt de vrouw een onderzoek door de Raad te gelasten. De vrouw is wel bereid om door middel van een hulpverleningstraject te gaan werken aan de onderlinge verstandhouding met de man.
4.3
Door de bijzondere curator wordt in het verslag en tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat zij [minderjarige] gezien haar leeftijd niet heeft gehoord. Er bestaat bij de man en de vrouw geen twijfel over de vraag of de man de biologische vader van [minderjarige] is, dus er hoeft geen DNA-onderzoek plaats te vinden. De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man omtrent de vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen. Een erkenning brengt geen schade toe aan de belangen van [minderjarige]. Ook niet is komen vast te staan dat de erkenning de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en [minderjarige] in de weg staat. Dit leidt de bijzondere curator ook af uit het feit dat de vrouw geen verweer voert tegen de erkenning van [minderjarige] door de man, maar dat zij dit niet samen met de man heeft willen regelen omdat de man dan automatisch ook met het gezag over [minderjarige] belast wordt.
4.4
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het belangrijk is dat de ouders samen de erkenning van [minderjarige] gaan regelen. Voor haar is belangrijk dat zij later kan zien dat haar ouders de erkenning in onderling overleg hebben geregeld. Ten aanzien van het gezag voert de Raad aan dat het uitgangspunt is dat beide ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Daarvoor is het belangrijk dat de ouders samen beslissingen nemen en afstemming zoeken. Voor het gezamenlijk gezag moet er een basis van vertrouwen zijn en die ontbreekt momenteel nog. Het is belangrijk dat de ouders toe gaan werken naar een zodanige samenwerking dat het gezamenlijk gezag er kan komen. De Raad denkt hierbij aan de inzet van ouderschapsbemiddeling, welk traject wellicht door [hulpverleningsorganisatie], waar de ouders al bekend zijn, kan worden aangeboden. De Raad vindt dat het gezamenlijk gezag er moet komen maar dat het op dit moment nog te vroeg is om het verzoek van de man toe te wijzen. De Raad adviseert dan ook de behandeling op dit verzoek aan te houden voor de duur van zes maanden, in afwachting van de resultaten van het hulpverleningstraject dat de ouders geadviseerd wordt te gaan volgen.
Vervangende toestemming erkenning
4.5
Bij F5-formulier van 31 oktober 2024 heeft mr. Van Kerkhof de rechtbank bericht dat de man [minderjarige] op 31 oktober 2024 heeft erkend. Middels dit F5-formulier heeft de man zijn verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor de erkenning ingetrokken. Gelet op deze intrekking hoeft dit verzoek niet meer te worden beoordeeld. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Gezag
4.6
Bij F9-formulier van 12 november 2024 heeft mr. Van Kerkhof de akte van erkenning van [minderjarige] door de man overgelegd. Hieruit blijkt dat de man [minderjarige] op 31 oktober 2024 heeft erkend. Dit betekent dat de man in een familierechtelijke betrekking tot [minderjarige] staat en dat hij ontvankelijk is in zijn verzoek omtrent het gezag.
4.7
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
Dictum
De rechtbank
5.1
bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over [minderjarige];
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.