Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:8685
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,979 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3539
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] h.o.d.n. [bedrijfsnaam], uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 juni 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 5.494 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2]. Van hetgeen op de zitting is besproken, is een proces-verbaal opgemaakt waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
1.5.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 28 maart 2022 aangifte gedaan voor de Bpm vanwege de inschrijving van een uit het buitenland afkomstige gebruikte personenauto van het merk en type Peugeot 3008 (de auto) in het Nederlandse kentekenregister (de aangifte). De auto heeft als datum eerste toelating 4 november 2020. In de aangifte staat vermeld dat de auto een CO2 uitstoot heeft van 156 gr/km (gemeten op basis van WLTP) en een bruto Bpm van € 12.888. Volgens de aangifte bedraagt de verschuldigde Bpm voor de auto € 2.296.
3.1.
Voor de berekening van de verschuldigde Bpm heeft belanghebbende de auto laten taxeren door [B.V.]. Het taxatierapport van [B.V.] vermeldt een handelsinkoopwaarde voor de auto van € 7.347 die als volgt is opgebouwd: waarde bij inkoop door handelaar € 22.442 minus herstelkosten van € 13.095 (zijnde 90% van € 14.550), minus correctie ‘geen oordeel tellerstand RDW’ van € 2.000. Daarnaast vermeldt het taxatierapport dat de oorspronkelijke consumentenprijs (inclusief opties) van de auto € 41.212 is.
3.2.
De inspecteur heeft bij kennisgeving van 19 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat aan de hand van de in het taxatierapport opgenomen schadeposten, is vastgesteld dat de auto gebreken vertoont. Met deze gebreken aan de auto mag geen gebruik van de openbare weg worden gemaakt, zo stelt de inspecteur. De in het taxatierapport opgenomen gebreken betreffen volgens de inspecteur de volgende schadeposten aan de auto: passagiersairbag en bestuurdersairbag, besturingsapparaat airbag, veiligheidsgordels voor links en rechts en koplamp links en rechts. Dit maakt volgens de inspecteur dat er sprake is van essentiële gebreken aan de auto met als gevolg dat de vermindering van Bpm niet middels een taxatierapport mag worden berekend. De inspecteur heeft vervolgens de verschuldigde Bpm aan de hand van de forfaitaire tabel (afschrijvingspercentage: 39,552%) berekend op € 7.790, uitgaande van de bruto Bpm voor de auto van € 12.888. De inspecteur heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld een adequate koerslijst te verstrekken indien belanghebbende gebruik wenst te maken van de koerslijstmethode voor de bepaling van de afschrijving van de Bpm.
3.3.
De naheffingsaanslag is, na de mededeling tot het opleggen van de naheffingsaanslag van 4 mei 2022, met dagtekening 27 mei 2022 aan belanghebbende opgelegd.
3.4.
Belanghebbende heeft de auto op 21 april 2022 verkocht voor € 28.000.
3.5.
De RDW heeft op 20 juni 2022 een verzoek ontvangen tot aanpassing van de CO2 uitstoot van de auto.
Overwegingen
Vooraf: nadere stukken belanghebbende
4. Belanghebbende heeft op 17 september 2024 een koerslijst van XRay ingediend en een berekening van de verschuldigde Bpm. Volgens de koerslijst bedraagt de taxatiewaarde van de auto € 23.691. Belanghebbende stelt dat hij deze koerslijst heeft ingebracht omdat hem gebleken is dat de inspecteur geen koerslijst heeft ingebracht. Nu deze koerslijstwaarde van belanghebbende afwijkt van de ‘waarde bij inkoop door handelaar’ uit het taxatierapport, acht de rechtbank het indienen van deze stukken zo kort voor de zitting in strijd met een goede procesorde. De rechtbank zal daarom de koerslijst en de berekening van belanghebbende die 7 dagen voor de zitting is ingediend buiten beschouwing laten.
Schade
4.1.
Volgens de inspecteur is er bewust foutief aangifte Bpm gedaan aangezien op voorhand al duidelijk was dat de status zoals weergegeven in de aangifte Bpm niet de status was van de auto op het moment van het indienen van de aangifte. Bij het taxatierapport was er geen koerslijst gevoegd.
4.2.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat uit de stukken blijkt dat de auto beschadigd was. De oude regeling waarbij wel aangifte met een taxatierapport kon worden gedaan in het geval het voertuig essentiële gebreken had, is nog steeds van toepassing.
4.3.
De recht overweegt dat indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat sprake is van de schade aan de auto ten tijde van de indiening van de aangifte en zoals die uit het taxatierapport van belanghebbende volgt, deze gestelde schade niet kan leiden tot een in aanmerking te nemen waardevermindering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.4.
In artikel 10, eerste lid, van de Wet Bpm is geregeld hoe voor gebruikte personenauto’s de verschuldigde Bpm wordt bepaald. Die regeling houdt in dat op het bij de personenauto behorende bedrag aan Bpm, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid van de Wet Bpm, een vermindering in acht wordt genomen vanwege de gebruikte staat. De vermindering is de afschrijving van de waarde van de personenauto, uitgedrukt in een percentage van de catalogusprijs (inclusief Bpm) op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen (artikel 10, tweede lid, van de Wet Bpm).
4.5.
Met ingang van 1 januari 2022 luidt artikel 10, achtste lid, van de Wet Bpm als volgt:
“ De afschrijving, bedoeld in het tweede lid, wordt, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vijfde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden, indien het motorrijtuig op het tijdstip dat bepalend is voor de hoogte van de vermindering:
a. meer dan normale gebruiksschade heeft of niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland; en
voldoet aan de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde eisen waardoor met dat motorrijtuig mag worden gereden op de weg.”
4.6.
In artikel 10, tiende lid, van de Wet Bpm is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel. Nadere regels zijn neergelegd in onder meer artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Bpm. Het derde lid van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Bpm luidt als volgt (tekst 2022):
“De afschrijving kan uitsluitend met de taxatiewaarde worden bepaald indien het motorrijtuig voldoet aan de eisen, bedoeld in de hoofdstukken 5 en 7 van de Regeling voertuigen, waardoor met het motorrijtuig kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer. Aan deze eisen is in ieder geval niet voldaan indien:
voor het motorrijtuig een aantekening in het kentekenregister is of wordt geplaatst dat een verbod voor het rijden op de weg is of wordt opgelegd;
voor het motorrijtuig een aantekening in het kentekenregister is of wordt geplaatst dat het motorrijtuig voorgoed buiten gebruik is of wordt gesteld;
dat blijkt uit de aangifte, het taxatierapport of op het moment dat het motorrijtuig wordt getoond overeenkomstig het achtste lid; of
dat anderszins blijkt.”
4.7.
De taxateur van belanghebbende heeft in het taxatierapport een calculatie van de te herstellen schade opgemaakt. Tot deze schadecalculatie behoren de bestellingen van onder meer de volgende onderdelen: Dashboard, passagiersairbag, besturingsapparaat airbag, veiligheidsgordel voorlinks, veiligheidsgordel voorrechts, koplamp links, koplamp rechts, set lichtmetalen velg en rooster bumper. Onder de categorie ‘Arbeidsloon’ staat onder meer ‘DASHBOARD VERVANGEN OMVAT: PASSAGIERSAIRBAG, RUITENWISSERARM V.L. UITBOUWEN EN INBOUWEN, RUITENWISSERARM V.R. UITBOUWEN EN INBOUWEN’. De rechtbank is van oordeel dat voor zover deze gestelde schade daadwerkelijk aanwezig is bij het doen van aangifte voor de Bpm, die schade tot gevolg zou hebben dat met de auto niet mag worden deelgenomen aan het verkeer. Personenauto’s moeten immers voorzien zijn van twee grote lichten. Op de in het taxatierapport opgenomen foto’s is echter niet te zien dat de koplampen van de auto zijn beschadigd en dat de voorbumper van een niet ingedeukt rooster is voorzien. Ook laten de foto’s waarop de velgen van de auto staan afgebeeld geen beschadigingen zien. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het taxatierapport van belanghebbende tegenstijdigheden omtrent de toestand van de auto ten tijde van het doen van aangifte bevat en daarom niet kan dienen voor de bepaling van de in artikel 10 van de Wet Bpm bedoelde afschrijving. De inspecteur heeft de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling Bpm voorziene afschrijvingstabel (de afschrijvingstabel). Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de wijze van berekening door de inspecteur te hoog was, zal de rechtbank dan ook uitgaan van deze wijze van berekening. Daarbij ziet de rechtbank anders dan belanghebbende betoogt, ook geen steun in het recht voor het toepassen van de nieuwe afschrijvingstabel zoals die geldt vanaf 1 juli 2024.
Hoogte bruto Bpm
4.8.
Belanghebbende heeft bij de gronden van zijn beroep een duplicaat van het certificaat van overeenstemming (cvo) van de auto - met als bouwdatum 23 oktober 2020 - verstrekt. Volgens het cvo heeft de auto een CO2 uitstoot van 135 gr/km. Belanghebbende heeft gesteld dat de bruto Bpm dan € 8.639 bedraagt.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur in beginsel mag uitgaan van de CO2-uitstoot van de auto zoals de RDW die in het kentekenregister heeft vastgelegd. De RDW heeft op 24 juni 2022 de CO2-uitstoot van de auto in het kentekenregister aangepast. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020, geldt dat de CO2-uitstoot van een auto als een vast gegeven van de auto moet worden beschouwd.
Dat de CO2-uitstoot weliswaar nadien nog is gewijzigd maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Immers, op het moment van het belastbare feit, de inschrijving, zijn zowel belanghebbende als de inspecteur uitgegaan van de CO2-uitstoot die op dat moment bekend was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende opgelegd. Wel heeft belanghebbende recht op een ISV van € 1.000.
5.1.
Omdat het verzoek om ISV wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 875 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 218,75. De inspecteur en de Staat moeten, ieder voor de helft, die kosten vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed, omdat het verzoek om ISV is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 en de rechtbank daar onvoldoende aanleiding voor ziet.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 857,14;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 142,86;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 109,38 aan proceskosten aan belanghebbende;
veroordeelt de Staat tot betaling van € 109,37 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 17 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 5.2.51, lid 1 en onder a, Regeling voertuigen.
ECLI:NL:HR:2020:561, r.o. 3.4.
Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.
4Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.