Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:8637
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,245 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11024577 \ MB VERZ 24-407
CJIB-nummer : 8062 5422 5060 2399
uitspraakdatum : 4 november 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 november 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen op de Fellenoordstraat te Breda op 30 juni 2022 om 22:56 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de pleeglocatie onjuist is vermeld op de beschikking en betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden. Betrokkene stelt dat de verbalisanten genoeg tijd hadden om betrokkene staande te houden. Verbalisanten hebben de gehele route richting het politiebureau Centrum aan de Claudius Prinsenlaan achter betrokkene aan gereden maar hebben geen optische geluidsignalen gevoerd. Wat de verbalisanten hebben verklaard in het proces-verbaal over een ander voertuig met een hogere prioritering tot staandehouding is dan ook niet juist. Betrokkene stelt dat het proces-verbaal erg summier en ongeloofwaardig is, omdat er verder geen informatie wordt gegeven over het voertuig met hogere prioritering tot staandehouding.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat ten tijde van de vermeende gedraging er op de weg vrijwel geen andere bestuurders van een voertuig reden. Als betrokkene op tijd het bord had gezien was hij hier niet ingereden en als de verbalisanten betrokkene had staande gehouden had betrokkene meegewerkt. Betrokkene was in de veronderstelling dat hij op het van Coothplein werd staande gehouden dan wel op de Wilhelminasingel.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de verklaring van verbalisant in het aanvullend proces-verbaal wordt de locatie voldoende duidelijk omschreven. De reden van geen staande houding was een voertuig met een hogere prioritering. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar een uitspraak van het hof, ECLI:NL:GHARL:2022:4163. Betrokkene is bij de officier van justitie niet gewezen op het recht om gehoord te worden. Vanwege deze schending van de hoorplicht verzoekt de zittingsvertegenwoordiger de boete te matigen met 25%. Voorts is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt de boete nogmaals te matigen met 25%.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat de verbalisant had moeten onderbouwen waarom er geen reële mogelijkheid tot staande houding bestond. De verklaring van verbalisant in het aanvullend proces-verbaal is te algemeen en onvoldoende concreet. De uitspraken van het hof, aangedragen door de officier van justitie, zien op andere situaties. In deze zaak is ten onrechte niet staande gehouden. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: