Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:8465
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,199 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6779
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen
1. Milieuvereniging De Groene Koepeluit Rijsbergen,
2. Natuur- en Milieuvereniging Markkantuit Breda,
tezamen: eiseressen
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseressen hebben ingesteld, omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun handhavingsverzoek van 11 maart 2024.
De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen, onder toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseressen, [naam 1] en [naam 2], en namens het college [naam 3] en [naam 4].
Beoordeling
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend op 11 maart 2024. Zij hebben verzocht om handhaving jegens [B.V.] Dit bedrijf zou namelijk op diverse punten handelen in strijd met de Omgevingswet.
2.1.
Het college moet binnen acht weken beslissen op de aanvraag. Dat staat in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.2.
Het college heeft de beslistermijn op 30 april 2024 opgeschort tot drie maanden na het verlopen van de beslistermijn. Het college heeft hiervoor als reden gegeven dat een inspecteur een controle moest uitvoeren en een en ander juridisch moest worden geduid. Gelet op de opschorting van het beslistermijn had het college, zoals het in de brief van 30 april 2024 zelf aangaf, uiterlijk tot 7 augustus 2024 om te beslissen op het handhavingsverzoek. Eiseressen hebben het college op 26 augustus 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
2.3.
Partijen zijn het er over eens dat de beslistermijn voor het verzoek om handhaving was verstreken voordat eiseressen op 26 september 2024 beroep hebben ingesteld. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om handhaving voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiseressen rechtsgeldig beroep hebben ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
2.4.
Het college heeft in het verweerschrift betoogd dat zij nog geen besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek, omdat het verzoek omvangrijk is en diverse belangen raakt. Inmiddels is duidelijk dat op diverse vlakken niet wordt voldaan aan de Omgevingswet op de aangedragen percelen. Er wordt op dit moment een onderzoek gedaan naar de legalisatiemogelijkheden en er wordt een ruimtelijk advies geformuleerd. Daarnaast moet overleg worden gevoerd met de Provincie Noord-Brabant. Het college verwachtte op de datum van het verweerschrift, 17 oktober 2024, dat uiterlijk twee maanden na 17 oktober 2024 concept-besluitvorming kon worden voorgelegd aan belanghebbende partijen. Vervolgens zou binnen drie maanden na 17 oktober 2024 een besluit op het handhavingsverzoek genomen kunnen worden.
Ter zitting is namens het college aanvullend verklaard dat de besluitvorming vertraging heeft opgelopen. De oorzaak is gelegen in hoge werkdruk, personeelstekort en het (moeten) stellen van andere prioriteiten. De verwachting is dat het voornemen tot besluitvorming nog voor het einde van het jaar de deur uitgaat. Daarna krijgt [B.V.] een termijn van vier weken om te reageren op het voornemen. Vervolgens zal binnen zes weken een besluit kunnen worden genomen.
2.5.
Namens eiseressen is ter zitting betoogd dat het college geen langere termijn moet worden gegund voor besluitvorming, omdat de beslistermijn steeds verder opgerekt wordt. Het college heeft al meer dan genoeg tijd gehad om een besluit op het handhavingsverzoek te nemen.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
3. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
3.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. Het college heeft aangegeven een termijn van in totaal drie maanden nodig te hebben om een besluit te nemen en daarbij ook uitgelegd waarom de besluitvorming nog langer gaat duren. Nu in dit geval ook de belangen van een derde-belanghebbende, [B.V.], bij de besluitvorming moeten worden betrokken, is de rechtbank van oordeel dat het door het college voorgestelde besluitvormingstraject redelijk is. Het college moet daarom uiterlijk 1 maart 2025 een besluit hebben genomen op het verzoek om handhaving.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
4. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseressen gelijk krijgen, het college uiterlijk op 1 maart 2025 alsnog een besluit moet hebben genomen en aan het college de onder overweging 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 875, -, omdat gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en op zitting is verschenen en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 0,5) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseressen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseressen moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiseressen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht