Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:8270
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6975
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres,
(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 22 januari 2024 tegen het besluit van 3 januari 2024 waarin haar aanvraag om een uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet wia) wordt afgewezen.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 22 januari 2024. UWV moet binnen zeventien weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is.UWV heeft de termijn verlengd met zes weken. UWV had dus uiterlijk op 24 juli 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen UWV moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft UWV op 25 juli 2024 in gebreke gesteld en UWV heeft de ingebrekestelling op 2 augustus 2024 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan UWV worden opgelegd?
4. Omdat UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat UWV dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. UWV heeft in zijn verweerschrift van 14 oktober 2024 uitgelegd dat hij na de hoorzitting met de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b), die gepland staat op 25 november 2024, nog twee maanden nodig heeft omdat de verzekeringsarts b&b het bezwaar dan nog medisch moet beoordelen en de arbeidsdeskundige bezwaar & beroep, als die wordt ingeschakeld, normaal gesproken een termijn van drie weken krijgt om onderzoek te doen. De rechtbank vindt dat een goede reden, want eiser is gebaat bij een zorgvuldige beslissing. UWV moet daarom uiterlijk op 25 januari 2025 het besluit nemen.
Welke dwangsom wordt aan UWV opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, UWV de onder 4.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt UWV op uiterlijk 25 januari 2025 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
bepaalt dat UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt UWV tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 4 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 112, eerste lid, van de Wet wia.
Dat dit kan staat in artikel 7:10, derde lid, van de Awb.