Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-21
ECLI:NL:RBZWB:2024:8257
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,024 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428905 / FA RK 24-5396
Datum uitspraak: 21 november 2024
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1943 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [woonplaats] ,
verblijvende te [plaats] , [adres] ,
advocaat mr. A.W.A.P. Doesburg te Breda.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 november 2024. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
de heer [naam 1] , specialist ouderengeneeskunde via een telefonische verbinding;
mevrouw [naam 2] , verpleegkundige;
de echtgenote van betrokkene.
2Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling in te [plaats] , [adres] . De burgemeester van Breda heeft de inbewaringstelling op 18 november 2024 genomen.
3Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor de duur van zes weken te verlenen.
4De standpunten
4.1.
Betrokkene antwoordt op de vraag van de behandelend rechter hoe het met hem gaat “redelijk, ik blijf overeind”. Op de opmerking van de behandelend rechter dat uit de stukken blijkt van zorgen over de situatie thuis merkt betrokkene op “we hebben thuis goede hulp” en “mezelf aankleden en douchen gaat nog redelijk”. Vervolgens merkt betrokkene op dat hij enkele jaren geleden het COVID virus heeft opgelopen en dat hij daardoor fysieke schade heeft opgelopen.
4.2.
De specialist ouderengeneeskunde brengt naar voren dat hem uit de inhoud van de stukken en een gesprek met de broer van betrokkene is gebleken dat bij betrokkene enkele jaren geleden vasculaire dementie is gediagnosticeerd. Sinds een drietal weken wordt gezien dat bij betrokkene sprake is van zodanige cognitieve achteruitgang dat hij overvraagd raakt en dat hij ’s nachts dwaalgedrag vertoont. Ook heeft er zeer recent een incident plaatsgevonden, waarbij betrokkene zijn echtgenote heeft opgesloten. Ook zou zijn echtgenote daarbij gewond zijn geraakt. Betrokkene vertoonde bij opname de nodige verzet, dit wordt op dit moment niet of althans in veel mindere mate gezien. Hoewel met de echtgenote van betrokkene en de huisarts is gesproken over thuiszorg is die vervolgens niet ingezet. Dit neemt niet weg dat hij sterk betwijfelt, gelet op de snel verslechterende toestand van betrokkene, of met ambulante thuiszorg het door hem geschetste ernstig nadeel voldoende zal kunnen worden weggenomen. Wel zullen daartoe de mogelijkheden nog nader worden onderzocht. Voor het geval dit niet haalbaar mocht blijken zal er tevens naar opties worden gezocht om betrokkene in elk geval zo dicht mogelijk bij zijn echtgenote te laten verblijven. Hij kan achter een voortzetting van de inbewaringstelling staan, als verzocht.
4.3.
De verpleegkundige sluit zich aan bij hetgeen door de specialist ouderen-geneeskunde naar voren is gebracht. Aanvullend merkt zij op dat betrokkene gedurende de opname de geboden zorg en ondersteuning accepteert en dat hij in de nachtelijke uren rustiger lijkt te worden. Ook laat betrokkene zien tot het verrichten van algemene dagelijkse levensverrichtingen in staat te zijn, echter moet hij daartoe wel gemotiveerd en gestimuleerd worden. Betrokkene zegt soms wel dat hij het liefst naar huis zou willen, maar hij maakt geen aanstalten om daadwerkelijk te vertrekken.
4.4.
De echtgenote van betrokkene merkt op dat zij de situatie rondom haar man als ingewikkeld ervaart, met name omdat zij al 58 jaar lang samen zijn. Thuis had zij zelf al enkele eenvoudige maatregelen genomen om de veiligheid van haar en haar echtgenoot voldoende te kunnen garanderen. Desondanks deed zich op enig moment de situatie voor dat zij tijdelijk opgesloten raakte. Anders dan in de stukken staat is zij daarbij niet ernstig gewond geraakt. Wel heeft haar man haar gekrabd toen hij haar beetpakte en er zijn blauwe plekken zichtbaar bij haar polsen. De echtgenote begrijpt overigens dat de crisisopname van haar man op dit moment nodig is en dat hij in de zorgaccommodatie veilig is. Wel zou zij graag willen dat als haar man niet meer naar huis kan, hij in een zorginstelling dichterbij zal verblijven zodat zij dagelijks naar hem toe kan. Nu is dat erg moeilijk gelet op de afstand en het feit dat zij moeilijk ter been is.
4.5.
De advocaat van betrokkene voert aan dat hij gelet op de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling vaststelt dat sprake is van een psychogeriatrische aandoening bij zijn cliënt. Ook blijkt van daardoor veroorzaakt ernstig nadeel in de vorm van zelfverwaarlozing en gevaarrisico’s voor de echtgenote van betrokkene. Daar staat echter tegenover dat met de huidige opname van betrokkene in de zorgaccommodatie het ernstig nadeel voldoende wordt afgewend. Bovendien blijkt uit de opstelling van zijn cliënt dat hij weliswaar liever thuis is, maar dat hij zich niet actief verzet tegen de opname. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een voortzetting van de inbewaringstelling. Namens zijn cliënt verzoekt hij daarom het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling af te wijzen.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing.
5.2.
Vermoed wordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychogeriatrische aandoening samen met een psychische stoornis, te weten vasculaire dementie.
5.3.
Het vorenstaande laat onverlet dat uit het verhandelde ter zitting onweersproken is komen vast te staan dat bij betrokkene op dit moment sprake is van voldoende bereidheid om aan de opname en het verblijf en de hem geboden zorg mee te werken. Het is duidelijk dat betrokkene, hoewel hij liever thuis zou willen zijn, zich niet verzet tegen de opname en het verblijf. Dit betekent dat het onderhavige verzoek zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2024 door mr. Phillips, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 26 november 2024.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.