Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:8196
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,385 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/422422 / FA RK 24-2242
Datum uitspraak: 19 november 2024
Nadere beschikking betreffende vaststelling hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de man]
,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. W. van der Sande te Goes,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,
betreffende de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1Het nadere procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 11 september 2024 en alle daarin opgenomen en gemelde stukken;
- de raadsrapportage van 28 oktober 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 28 oktober 2024.
1.2
De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 30 oktober 2024, gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] (bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/428074 / JE RK 24-1953).
Bij deze nadere behandeling is verschenen mr. Van der Sande, advocaat, namens de man. Voorts is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordiger van de GI. De man is, alhoewel correct en tijdig opgeroepen, niet verschenen.
Op het verzoek van de Raad is bij afzonderlijke beschikking van 30 oktober 2024 beslist.
2De verdere beoordeling
2.1
Bij tussenbeschikking van 11 september 2024 heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald conform hetgeen partijen daaromtrent ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 3 september 2024 zijn overeengekomen in afwachting van de afronding van het raadsonderzoek en na consultatie van de Raad. De voorlopige zorgregeling houdt in dat er contact zal zijn tussen de vrouw en [de minderjarige] twee keer per week gedurende twee uur onder begeleiding van een zorgaanbieder. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat deze voorlopige zorgregeling kan worden uitgebreid indien dit door de zorgaanbieder in het belang van [de minderjarige] wordt geacht. In afwachting van het onderzoeksrapport en het bijbehorende advies van de Raad zijn de behandeling van en de verdere beslissingen in deze procedure aangehouden tot de nadere mondelinge behandeling op 30 oktober 2024.
2.2
De Raad heeft in zijn rapportage van 28 oktober 2024 geconcludeerd dat er een ondertoezichtstelling voor [de minderjarige] nodig is, omdat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging is met name gelegen in het gebrek aan (structureel) contact tussen [de minderjarige] en zijn moeder en de ernstig verstoorde verstandhouding van en het wantrouwen tussen de ouders. De ouders slagen er daardoor niet in om met elkaar afspraken te maken en gezamenlijk invulling te geven aan het ouderschap over [de minderjarige] . Mede als gevolg daarvan, maar ook vanwege de forse spanningen van de vader in het contact tussen [de minderjarige] en de moeder en de weerslag daarvan op [de minderjarige] , is de voorlopige zorgregeling, en dus het contact tussen [de minderjarige] en en de moeder, kortgeleden weer stopgezet. Daarnaast stagneert de hulpverlening doordat de vader zich daar niet volledig in kan vinden. Gelet op al deze omstandigheden heeft de Raad geconstateerd dat het de ouders momenteel onvoldoende lukt om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] op eigen kracht weg te nemen en de benodigde hulpverlening te accepteren en hiervan te profiteren. Daarom heeft de Raad verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ten aanzien van de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling adviseert de Raad om deze aan te houden voor een periode van negen maanden in afwachting van de resultaten van de in het kader van de ondertoezichtstelling in te zetten hulpverlening.
2.3
Thans liggen nog ter beoordeling voor de verzoeken van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de man;
- te bepalen dat de zorgregeling tussen de vrouw en [de minderjarige] zal zijn als volgt: de minderjarige verblijft bij de vrouw gedurende één weekend per twee weken van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, dan wel een zodanige regeling die de rechtbank in het belang van de minderjarige acht.
Voorts liggen nog ter beoordeling voor de zelfstandige verzoeken van de vrouw om, bij beschikking en voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht te verklaren dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw is gelegen
althans te bepalen dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald;
- te bepalen dat er een zorgregeling wordt vastgesteld tusen [de minderjarige] en de ouder die het hoofdverblijf niet heeft c.q. aan wie [de minderjarige] niet is vertrouwd waarbij [de minderjarige] per veertien dagen zeven dagen bij de ene ouder zal zijn c.q. deze ouder de zorg over [de minderjarige] zal hebben en zeven dagen bij de andere ouder c.q. deze ouder de zorg over [de minderjarige] zal hebben, met als wisselmoment vrijdag 17:00 uur, dan wel subsidiair een regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie zal bepalen met betrekking tot de zorgregeling.
2.4
De rechtbank overweegt als volgt.
2.4.1
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat het partijen de afgelopen periode niet is gelukt om nader tot elkaar te komen. Ook is het de rechtbank gebleken dat de recent vastgestelde voorlopige zorgregeling slechts enkele malen is uitgevoerd en vervolgens is stopgezet, waardoor er thans opnieuw geen contact plaatsvindt tussen de vrouw en [de minderjarige] . De rechtbank begrijpt dat de Raad daartoe heeft geadviseerd vanwege de vele spanningen en zorgen die de man heeft over het contact tussen [de minderjarige] en de vrouw, en de weerslag die deze spanningen en zorgen hebben op [de minderjarige] . Het is de rechtbank voorts gebleken dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillige kader stagneert. Onder meer gelet op deze ontwikkelingen heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van 30 oktober 2024 het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] toegewezen voor de duur van twaalf maanden.
Dictum
De rechtbank:
3.1
bepaalt dat de vrouw en [de minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact met elkaar twee keer per week gedurende twee uur, waarbij de GI de regie voert over de (uitbreiding van de) zorgregeling wat betreft opbouw, frequentie, duur en al dan niet begeleid zijn van de omgang, een en ander zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.4.2 overwogen;
3.2
houdt de behandeling en beslissingen op de verzoeken van partijen aan tot 6 mei 2025 PRO FORMA;
3.3
verzoekt de GI om uiterlijk op deze datum te rapporteren over de actuele stand van zaken in het kader van de ondertoezichtstelling, de ontwikkelingen in de situatie en het verloop en de resultaten van de hulpverlening en advocaten van partijen om daar schriftelijke op te reageren en zich uit te laten over het gewenste verdere procesverloop;
3.4
behoudt zich iedere nadere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2024 in tegenwoordigheid van mr. De Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.