Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:8173
Strafrecht
Raadkamer
1,389 tokens
Dictum
[klager],
geboren op [datum] 1991 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. B.M.C.F. de Groen advocaat te Breda, (Postbus 1878, 4801 BW Breda),
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 19 augustus 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 12 augustus 2024 onder klager in het strafvorderlijk onderzoek tegen hem in beslag is genomen: een personenauto, merk Mercedes-Benz, GLC AMG, met het [kenteken] (hierna: de Mercedes);
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 5 november 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, en mr. B.M.C.F. de Groen als gemachtigd advocaat van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de Mercedes en dat hij veel problemen ondervindt door de inbeslagname hiervan. De Mercedes staat op naam van zijn bedrijf [B.V.]. Door het verlies van de Mercedes kan klager niet naar afspraken die staan gepland. In raadkamer heeft de raadsman in aanvulling op het klaagschrift aangevoerd dat klager zijn rijbewijs terug heeft gekregen, maar dat het nog niet helemaal duidelijk is of hij ook al mag rijden. Klager is daar nog over in gesprek met het CBR.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave van de Mercedes aan klager en dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden. Klager heeft gereden zonder geldig rijbewijs en er is sprake van recidive. Klager heeft zijn rijbewijs kennelijk weer in zijn bezit, maar er bestaat op dit moment nog geen duidelijkheid over de geldigheid daarvan.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Tegen klager is op 13 augustus 2024 proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Uit de recente documentatie van klager blijkt dat er sprake is van recidive. Om die reden is de Mercedes van klager ook in beslag genomen. Uit hetgeen door de raadsman in raadkamer naar voren is gebracht begrijpt de rechtbank dat klager inmiddels weer in het bezit is van zijn rijbewijs, maar nog met het CBR in conclaaf is of hij ook weer mag rijden. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het - bij deze stand van zaken - niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later de verbeurdverklaring van de Mercedes uitspreekt.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).