Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-21
ECLI:NL:RBZWB:2024:8014
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,010 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10930767 \ MB VERZ 24-140
CJIB-nummer: 0062 5422 5052 4662
uitspraakdatum: 21 oktober 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 oktober 2024 Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad op de Nieuwlandstraat te Tilburg op 9 juni 2022 om 18:47 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat zij wegens werkzaamheden in het centrum in een onduidelijke verkeerssituatie belande. Door de werkzaamheden stond het verkeer muurvast. Op de Heuvelring besloot betrokkene rechtsaf de Telegraafstraat in te gaan, maar daar was de verkeerssituatie ook gewijzigd dus werd zij teruggestuurd naar de Heuvelring. Uiteindelijk kwam betrokkene weer op de Nieuwlandstraat en wilde zij richting de Schouwburgring. Opeens stond er op die eenrichtingsweg een verkeersbord dat het een voetpad is en dat er enkel tussen 18:00 en 11:00 met de auto verder gereden mocht worden. Betrokkene zag dat het 18:45 was, waardoor zij is doorgereden. Volgens betrokkene waren beide data bij de officier van justitie verstreken en had zij niks meer gehoord. Hierdoor is zij ervan uit gegaan dat de boete was kwijtgescholden.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat het een onduidelijke situatie blijft. De inritconstructie zoals in de huidige situatie was op de pleegdatum nog niet aanwezig. Er was op dat moment sprake van een doorgaande weg.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Na aanpassing van de feitelijke situatie (met onder meer een inritconstructie) heeft de kantonrechter eerder geoordeeld dat vanaf 3 november 2021 zonder twijfel voor eenieder voldoende duidelijk of moet het in ieder geval duidelijk zijn, dat op die plek een voetgangersgebied begint. De initiële beschikking is op 8 juli 2022 opgelegd en valt dus onder de periode waarin de verkeerssituatie voldoende duidelijk moet zijn. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt tweemaal een matiging van 25% wegens schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene ontkent dit ook niet.
Sinds 6 april 2021 is een gedeelte van de Nieuwlandstraat toegevoegd aan het voetgangersgebied in Tilburg. In de beginperiode werd volstaan met waarschuwingsbrieven. Vanaf 1 juli 2021 is er digitaal gehandhaafd en zijn boetes opgelegd.
De kantonrechter heeft op 28 maart 2023 in een groot aantal zaken geoordeeld over de boetes inzake de Nieuwlandstraat, zie ECLI:NL:RBZWB:2023:2062. De kantonrechter verwijst in deze zaak naar het algemene oordeel in die zaak en neemt dit oordeel over.
Dat oordeel is verdeeld over drie periodes en komt kort gezegd op het volgende neer.
In periode 1 (van 1 juli 2021 tot en met 9 september 2021) was de bebording niet in orde, zodat geen boetes mochten worden opgelegd.
In periode 2 (van 10 september 2021 tot en met 2 november 2021) was sprake van een zo onduidelijke situatie dat het niet redelijk was om een boete op te leggen.
Na aanpassing van de feitelijke situatie (met onder meer een inritconstructie) is vanaf 3 november 2021 (periode 3) naar het oordeel van de kantonrechter zonder twijfel voor eenieder voldoende duidelijk of moet het in ieder geval duidelijk zijn, dat op die plek een voetgangersgebied begint. In beginsel is er dan ook geen aanleiding om boetes die zijn opgelegd vanaf 3 november 2021 onrechtmatig te achten of te matigen.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om daar in dit geval anders over te denken. De boete is dus terecht opgelegd.
Schending hoorplicht
Betrokkene heeft, zonder tussenkomst van een gemachtigde, beroep aangetekend bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met de wet, omdat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden om van horen af te zien. Volgens vaste rechtspraak dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep.
Het beroep tegen die beslissing is om die reden gegrond.
De kantonrechter ziet verder reden de boete te matigen met 25%, omdat sprake is van een structurele schending van de hoorplicht (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2022:9934).
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 8 juli 2022 en is de redelijke termijn dus met ruim 3 maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete nogmaals te matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 84,38, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 65,62,- dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2024.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.