Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-20
ECLI:NL:RBZWB:2024:7981
Civiel recht
Bodemzaak
2,437 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11050290 \ CV EXPL 24-1357
Vonnis van 20 november 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom,
tegen
1 [de maatschap] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
hierna te noemen: de maatschap,2. [maat 1],
3. [maat 2],
4. [maat 3],
allen wonende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: de maten,
gedaagde partijen,
gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juli 2024;
- de brief van [eiseres] van 10 oktober 2024 met producties 8 tot en met 12;
- de mondelinge behandeling van 21 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] heeft in december 2018 in opdracht van de maatschap vijf vrachten vloeibare zeugenmest afgevoerd.
2.2.
[eiseres] heeft de maatschap daarvoor op 28 december 2018 een factuur van € 8.530,79 inclusief btw gestuurd.
2.3.
De factuur is, ondanks aanmaning, niet betaald.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert - samengevat - veroordeling van de maatschap en de maten tot betaling, binnen zeven dagen na dit vonnis, van:
- € 8.530,79 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 11 januari 2019 tot de dag van volledige betaling, berekend tot en met 1 december 2023 op € 4.239,36;
- € 801,54 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proces- en nakosten;
- de wettelijke rente over de bedragen indien niet binnen zeven dagen na dit vonnis wordt betaald.
3.2.
De maatschap en de maten voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen, althans deze af te wijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
In deze procedure ligt de vraag voor of de maatschap en de maten zijn gehouden tot betaling van de factuur van € 8.530,79.
Vorderingen tegen de maatschap
Hoofdsom
4.2.
Vast staat dat [eiseres] in december 2018 in opdracht van de maatschap vijf vrachten vloeibare zeugenmest heeft afgevoerd. Partijen zijn het er ook over eens dat daarvoor een prijs is afgesproken van € 5,- exclusief btw per kg fosfaat te vermeerderen met een transportvergoeding.
4.3.
Partijen verschillen van mening over het fosfaatgehalte in de afgevoerde mest. Volgens [eiseres] was dit 6.98 kg per m3 mest. [eiseres] baseert zich daarbij op het analyserapport van Roba Laboratorium van 28 december 2018 van de betreffende vrachten (productie 8 van [eiseres] ). De maatschap betwist de juistheid van het testresultaat. Deze kan volgens haar niet kloppen omdat dit aanzienlijk meer is dan de forfaitaire norm van 3,8 kg per m3 mest (mestcode 46) zoals genoemd in de bijlage bij de Meststoffenwet. Ook blijkt volgens de maatschap uit analyserapporten met betrekking tot eerdere afvoer van mest dat de hoeveelheid fosfaat in de mest veel minder is (tussen 0.67 tot 1.92 kg per m3 mest).
4.4.
De kantonrechter overweegt het volgende. De maatschap heeft van de mogelijkheid van een heranalyse geen gebruik gemaakt en heeft ook niet met andere stukken onderbouwd dat het onderzoeksresultaat van Roba Laboratorium niet klopt. De enkele verwijzing naar een forfaitaire norm en naar laboratoriumuitslagen van in 2018 afgevoerde mest van de maatschap zijn daarvoor niet genoeg. Dit nog los van het feit dat het bij die mest, zo volgt uit de facturen, ging om een andere mestcode (code 50). De kantonrechter gaat daarom uit van een fosfaatgehalte van 6.98 kg per m3 mest zoals genoemd in het analyserapport van Roba Laboratorium.
4.5.
Gelet op de door partijen afgesproken prijs komt dit op (6.98 x € 5,- =) € 34,90 exclusief btw per m3 mest te vermeerderen met een transportvergoeding. [eiseres] heeft daarvoor € 3,50 per m3 mest in rekening gebracht. Tegen dat bedrag is geen verweer gevoerd en dit komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen.
Wettelijke handelsrente
4.6.
De factuur van 28 december 2018 is niet binnen de overeengekomen betalingstermijn van veertien dagen na factuurdatum betaald. Het verzuim is daarom op 12 januari 2019 ingetreden. Vanaf die datum is over het factuurbedrag de wettelijke handelsrente verschuldigd (artikel 6:119a BW). Dat deze rente berekend tot en met 1 december 2023 € 4.239,36 bedraagt, is door de maatschap niet weersproken. De gevorderde wettelijke handelsrente zal dus worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.7.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 801,54 toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen.
Proceskosten
4.8.
De maatschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
118,73
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
132,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.337,73
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Vorderingen tegen de maten
4.10.
De maten zijn op grond van de wet in beginsel elk voor een gelijk deel aansprakelijk voor de schulden van de maatschap (artikel 7A:1680 BW). Niet gesteld of gebleken is dat van dit wettelijke uitgangspunt is afgeweken. De maten zijn daarom alle drie voor een derde aansprakelijk. De kantonrechter zal in overeenstemming hiermee beslissen.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de maatschap om aan [eiseres] binnen zeven dagen na dit vonnis te betalen:
- € 8.530,79 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, vanaf 12 januari 2019 tot de dag van volledige betaling, berekend tot en met 1 december 2023 op € 4.239,36;
- € 801,54 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2024 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt de maatschap in de proceskosten van € 2.337,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt de maatschap tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
veroordeelt de maten ieder tot een derde van het onder 5.1. tot en met 5.3. toegewezene, met bepaling dat de totale betalingsverplichting van de maatschap en de maten uit hoofde van deze veroordelingen die bedragen niet te boven gaat;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024.