Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-11-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:7917
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,395 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/3553 tot en met 22/3555
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. Belanghebbende heeft bij de inspecteur verzoeken tot ambtshalve vermindering gedaan ten aanzien van de aan hem voor de jaren 2018 tot en met 2020 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Belanghebbende heeft vervolgens de inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op zijn verzoeken.
1.1.
Belanghebbende heeft op 11 juli 2022 beroep ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen van de inspecteur.
1.2.
De rechtbank heeft alleen in zaaknummer 22/3553 griffierecht van € 50 van belanghebbende geheven.
1.3.
De inspecteur heeft op 28 juli 2022 de verzoeken van belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen.
1.4.
Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr.drs. [inspecteur 2]. De beroepen met zaaknummers 22/3549 tot en met 22/3552 van de erven van [naam] (wijlen de echtgenote van belanghebbende) zijn gelijktijdig behandeld.
Overwegingen
2. Nu de inspecteur inmiddels heeft beslist op de verzoeken om ambtshalve vermindering is er geen belang meer bij de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op die verzoeken. De beroepen zijn daarom in zoverre niet-ontvankelijk.
2.1.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift inzake het niet tijdig beslissen op de verzoeken tot ambtshalve vermindering aangegeven dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom van € 1.442. Belanghebbende heeft ter zitting aangegeven het eens te zijn met de toekenning van deze dwangsom. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen en zal dienovereenkomstig beslissen.
2.2.
De inspecteur heeft in zijn verweerschrift inzake de rechtstreekse beroepen aangegeven dat belanghebbende automatisch meeloopt met de massaal bezwaar plus procedure. Belanghebbende heeft ter zitting de gronden tegen de (onherroepelijke) vaststaande aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 tot en met 2020 uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk ingetrokken. Deze aanslagen liggen daarom niet meer ter beoordeling aan de rechtbank voor.
Conclusie
3. De beroepen wegens het niet tijdig beslissen zijn niet-ontvankelijk en de beroepen inzake de dwangsom zijn gegrond.
3.1.
Omdat de beroepen inzake de dwangsom gegrond zijn, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook krijgt belanghebbende zijn reiskosten vergoed voor het bijwonen van de zitting. De reiskosten zijn op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel c van het Besluit proceskosten becijferd op € 31,20 (openbaar vervoer, tweede klasse, retour).
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen met betrekking tot het verzoek om een dwangsom gegrond;
stelt de door de inspecteur verbeurde dwangsom vast op € 1.442;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 31,20 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. B.W. Liu, griffier op 19 november 2024. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
In de zin van artikel 9.6, lid 3, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)
Op grond van het Besluit van 25 januari 2023, nr. 2023-1194, Stscrt. 27 januari 2023 nr. 2860.
4Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.