Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-29
ECLI:NL:RBZWB:2024:7775
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,815 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428014 / FA RK 24-4955
Datum uitspraak: 29 oktober 2024
Beschikking wijziging zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedag] 1997 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonende in [plaats 1],
verblijvende te [plaats 2], [accommodatie],
advocaat mr. H. van der Sluis-Westerlaan te Oosterhout.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 oktober 2024;
de beschikking van de rechtbank van 15 oktober 2024;
de medische verklaring van 23 oktober 2024;
Dictum
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2024. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
mevrouw [naam 1], regiebehandelaar ambulant zorgteam;
mevrouw [naam 2], verpleegkundig specialist, waarnemend behandelaar;
de heer [naam 3], senior agoog HIC.
1.3.
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.
2Wat vaststaat
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2024 een zorgmachtiging verleend tot en met 15 april 2025 voor de navolgende zorgvormen:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.
3Het verzoek
De officier van justitie verzoekt op grond van artikel 8:12 lid 3 Wvggz de rechtbank om wijziging van de zorgmachtiging, zoals die op 15 oktober 2024 voor betrokkene is afgegeven, aldus dat van de bij die beschikking verleende zorgmachtiging tevens ‘insluiten’ als verplichte zorgvorm deel uit zal maken.
4De standpunten
4.1.
Betrokkene zegt dat het goed met hem gaat en dat hij de gevraagde wijziging van de zorgmachtiging oké vindt. Daarna geeft hij te kennen dat hij de mondelinge behandeling niet langer wil bijwonen en dat hij een sigaret wil gaan roken. Hij verlaat daarop meteen de zittingsruimte en keert daar niet meer terug.
4.2.
De behandelaar geeft aan dat de wijziging van de zorgmachtiging is gevraagd omdat maatregelen zijn toegepast op grond van artikel 8:11 jo. 8:12 lid 1 Wvggz en de daarin vermelde termijn intussen is verstreken. Betrokkene gaat echter morgen met ontslag. Het zou praktisch zijn wanneer de wijziging zou worden toegestaan, opdat deze voor de verdere duur van de zorgmachtiging kan worden toegepast. Op de vraag van de behandelend rechter aan de behandelaar of zij verwacht dat er snel weer een opname moet komen en de zorg ‘insluiten’ daarbij nodig zal zijn kan zij geen antwoord geven. Niet alleen omdat zij niet in de toekomst kan kijken, maar ook niet omdat inmiddels het behandelteam de mening is toegedaan dat het gedrag van betrokkene, waardoor hij op de HIC moest worden geplaatst niet veroorzaakt werd/wordt door zijn stoornis en daar ook niets mee te maken heeft.
4.3.
De advocaat van betrokkene merkt op dat zij niet wist dat haar cliënt al met ontslag zou gaan. Echter, daarvan uitgaande en gehoord dat het gedrag voor de zorgvorm ‘insluiten’ wordt gevraagd niet voortkomt uit de psychische stoornis van haar cliënt ziet zij geen reden voor toewijzing van het verzoek. Reden temeer daarvoor is volgens haar dat ook niet concreet is gesteld of gebleken dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat binnen de periode waarvoor de zorgmachtiging nog geldt de eerdere situatie zich zal herhalen.
Beoordeling
5.1.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is genoegzaam gebleken dat betrokkene tijdens zijn opname een medecliënt heeft aangevallen, dat hij een gevaarlijk voorwerp in zijn bezit hield en dat hij naar medewerkers op intimiderende en dreigende wijze zijn wensen/eisen duidelijk maakte, waarbij de vrees ontstond voor verdere escalaties en geweld. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat er door de zorgverantwoordelijke op dat moment werd besloten om op de voet van artikel 8:11 Wvggz tijdelijk verplichte zorg in de vorm van “insluiten” toe te passen.
5.2
Dat er daarom, en naar de rechtbank uit de toelichting van de waarnemend behandelaar bij de mondelinge behandeling heeft begrepen, ook uit praktisch oogpunt wordt gevraagd om wijziging van de zorgmachtiging, is op zichzelf dus ook niet, althans niet geheel onbegrijpelijk.
5.3
Niettemin bestaat er naar het oordeel van de rechtbank voor toewijzing van dat verzoek geen, althans onvoldoende juridische basis. Tijdens de mondelinge behandeling is immers komen vast te staan dat betrokkene met ontslag gaat, maar niet zeker is dat er in het onverhoopte geval betrokkene in de (nabije) toekomst een terugval zou krijgen opnieuw een klinische opname nodig zal zijn èn dat betrokkene in dat geval ook op de huidige afdeling zal terug keren c.q. ‘insluiten’ bij wijze van aanvullende verplichte zorgvorm dient te worden toegepast. Dit klemt temeer nu de waarnemend behandelaar tijdens de mondelinge uitdrukkelijk heeft gesteld dat het behandelteam van mening is dat het gedrag van betrokkene, dat recent aanleiding gaf voor tijdelijk verplichte zorg op de voet van artikel 8:11 niet voortkomt uit en ook niets te maken heeft met zijn psychische stoornis.
5.4.
De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024 door mr Van Dun, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 5 november 2024.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.