Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-18
ECLI:NL:RBZWB:2024:7574
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,373 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer : 11102682 \ MB VERZ 24-380
CJIB-nummer : 3062 5422 5343 8157
uitspraakdatum : 18 oktober 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] .
adres : [adres]
woonplaats : [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 oktober 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). [naam] is als gemachtigde verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de Rijksweg A58 te Waarde op 11 oktober 2022 om 10.29 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat twee verschillende boetes zijn gegeven voor één overtreding. Tussen de twee boetes zit een verschil van één minuut. Dit is in strijd met het ne bis idem beginsel. Subsidiair is aangevoerd dat de verbalisant niet het merk, type of vorm toestel heeft genoteerd terwijl de verbalisant dient te controleren of er sprake is van een telefoon en dient daar dit niet gemakshalve van uit te gaan. De bestuurder van het voertuig is, in strijd met artikel 5 Wahv, niet staande gehouden terwijl hiervoor een reële mogelijkheid bestond. Hierdoor is betrokkene in zijn belangen geschaad. Betrokkene heeft geen mobiel elektronisch apparaat vast gehouden tijdens het rijden. Gemachtigde verzoekt een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat gelet op het tijdsverloop en de afstand niet is waargenomen dat de telefoon is neergelegd in de tussentijd. Er is dan ook geen sprake van een voortgezette handeling. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verbalisant heeft twee keer een boete uitgeschreven met daar tussen één á twee minuten. Het hof heeft geoordeeld dat bij constatering van gedragingen met twee verschillende tijdstippen op twee verschillende pleeglocaties er sprake is van twee afzonderlijke gedragingen. De verbalisant heeft tweemaal waargenomen dat betrokkene een mobiele telefoon heeft vastgehouden tijdens het rijden en heeft voldoende duidelijk verklaard waarom op kenteken is bekeurd. In het zaakoverzicht staat de datum actief op 8 november 2022 en hierdoor is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
Overwegingen
De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Daarbij is van belang dat er sprake is van het ne bis in idem beginsel. Onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van twee afzonderlijke gedragingen nu niet duidelijk is of betrokkene tussen de oplegging van de eerste en tweede boete zijn mobiele telefoon heeft neergelegd. Betrokkene kan in dit geval daarom niet twee keer voor eenzelfde gedraging worden beboet.
Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. Daarbij wordt voor de extra schriftelijke aanvulling van gronden van beroep bij de officier van justitie, met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, 0,5 punt toegekend (zie ECLI:NL:GHARL:2021:7004).
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 624,- = € 312,-
schriftelijke aanvulling: 0,5 punt x gewicht 0,5 x € 624,- = € 156,-
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
totaal € 1.343,-
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 359,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 1.343,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: