Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:7408
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,587 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Insolventies – meervoudige kamer
Locatie: Breda
tijdelijke voorziening afkoelingsperiode
rekestnummer: C/02/426346 / HO RK 24/687
uitspraakdatum: 12 september 2024
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure van:
[verzoekster] B.V.
gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. J. van den Dolder.
Procesverloop
1.1.
Verzoekster heeft op 31 maart 2024 een verklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.
1.2.
Verzoekster heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.3.
Verzoekster heeft op 9 september 2024 ter griffie een verzoekschrift, met elf bijlagen, ingediend. Verzoekster heeft allereerst verzocht om voorshands, bij wijze van tijdelijke voorziening totdat bij eindbeslissing op de andere verzoeken is beslist, een afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 2 Fw af te kondigen die inhoudt dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoekster behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoekster bevinden, gedurende de afkoelingsperiode niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank. Ten tweede heeft verzoekster verzocht om een afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 376 Fw jegens derden af te kondigen voor een periode van vier maanden.
1.4.
Verzoekster heeft op verzoek van de rechtbank op 9 september 2024 een gewaarmerkt uittreksel van [B.V. 1] een van haar (indirect) bestuurders, overgelegd. Verzoekster heeft op 10 september 2024 de rechtbank nogmaals verzocht om spoedig te beslissen en daarbij een e-mail van de advocaat van [B.V. 2] overgelegd met als bijlage een concept faillissementsrekest.
2Het verzoek
2.1.
Verzoekster doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw. Verzoekster zegt toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw zal aanbieden.
2.2.
Er is (spoedeisend) belang bij een afkoelingsperiode, omdat [B.V. 2] dreigt met het nemen van verhaal als zij – ten tijde van het verzoek – niet op 6 september 2024 volledig wordt voldaan. Verzoekster kan en wil daar geen gehoor aan geven. De kans is zeer aannemelijk dat [B.V. 2] beslag zal leggen (op de banksaldi) van verzoekster of het faillissement zal aanvragen. Dit brengt de voortzetting van de onderneming ernstig in gevaar en hindert ook de verdere voorbereiding van het akkoord. In verband met de snelheid waarmee een beslissing genomen moet worden, dient [B.V. 2] niet op het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode te worden gehoord, aldus verzoekster.
Beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
3.1.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
3.2.
Verzoekster heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Verzoekster is statutair gevestigd in [plaats] . Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
3.3.
De rechtbank zal de behandeling van het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode bepalen op vrijdag 20 september 2024 om 9:30 uur via een online videoverbinding.
3.4.
Gelet op de gestelde spoedeisendheid zal, bij wijze van tussenbeslissing, een afkoelingsperiode, zoals in het dictum omschreven, voorlopig worden verleend.
3.5.
De rechtbank is op basis van het verzoekschrift gebleken dat [B.V. 2] en [bedrijf] mogelijk in hun belangen worden getroffen, zodat zij in de gelegenheid worden gesteld op het verzoek te worden gehoord alvorens een eindbeslissing wordt gegeven.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
kondigt bij wijze van tijdelijke voorziening per heden een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw voor de periode totdat bij eindbeslissing op het verzoek is beslist, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoekster behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van verzoekster bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden;
4.2.
bepaalt dat de behandeling van het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode zal plaatsvinden ter zitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op vrijdag 20 september 2024 om 9:30 uur via een online videoverbinding, voor de rechters mr. De Kwant, mr. Leppens en mr. Bosch;
4.3.
bepaalt dat verzoekster onverwijld aan [B.V. 2] en [bedrijf] een kopie van deze beschikking zal toezenden en hun wijst op de mogelijkheid om via een bij de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op te vragen link deel te nemen aan de zitting en een zienswijze te geven;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Kwant, voorzitter, mr. Leppens en mr. Bosch, rechters, en in aanwezigheid van mr. Martens, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 september 2024.