Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-28
ECLI:NL:RBZWB:2024:7321
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,376 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10532
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 14 juli 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting met [aanslagnummer] .F.01.2211 (de naheffingsaanslag) opgelegd en gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2023 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft door middel van een bij de belastingdienst ingediend elektronisch bericht met de berichtsoort ‘bezwaar’ opnieuw gereageerd op de naheffingsaanslag (het ‘tweede bezwaar’).
1.4.
De inspecteur heeft ‘het tweede bezwaar’ als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.
1.5.
Met dagtekening 29 augustus 2024 heeft de rechtbank belanghebbende in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verschoonbaarheid van de overschrijding van de beroepstermijn. Op 2 september 2024 heeft belanghebbende daarop gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende haar directeur [naam] (de directeur), en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Indien het beroep ontvankelijk is, beoordeelt de rechtbank of de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking juist zijn.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Motivering
3. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1.
De inspecteur heeft op 14 juli 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze uitspraak op bezwaar pas na die datum is verzonden en belanghebbende heeft niet betwist de uitspraak op bezwaar te hebben ontvangen. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde daarmee op 25 augustus 2023. Het terecht door de inspecteur als beroepschrift aangemerkte ‘tweede bezwaar’ van belanghebbende is via de digitale weg ingediend op 28 augustus 2023 om 10:00 uur. Dat is buiten de zes-wekentermijn.
3.2.
Bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft ondanks de vraag van de rechtbank geen reden gegeven voor de termijnoverschrijding. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Dit geldt ook met toepassing van de recente ruimere uitleg van de regels voor verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
Conclusie
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier, op 28 oktober 2024. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
Artikel 6:11 van de Awb.
Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515.