Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-22
ECLI:NL:RBZWB:2024:7193
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,127 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3926
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR), verweerder.
Inleiding
1. Met het besluit van 24 januari 2024 heeft het CBR eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 18 maart 2024 heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 22 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens het CBR mr. J.A. Launspach. Eiser is niet verschenen.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Waarom is het beroep ongegrond?
3. De rechtbank oordeelt dat de CBR terecht een EMG aan eiser heeft opgelegd en het bezwaar ongegrond heeft verklaard, en legt hierna uit waarom.
Standpunt eiser
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het CBR ten onrechte aan hem een EMG heeft opgelegd. De verschillende maximumsnelheden ter plaatse zorgen voor verwarring en het dashboard van zijn auto gaf steeds 130 kilometer per uur aan als maximumsnelheid. Ook was de weg vrijwel verlaten. Daarnaast was het volgens eiser een eenmalige misstap, hij rijdt normaalgesproken veilig en verantwoord. Gelet op die omstandigheden is het opleggen van de EMG onzorgvuldig en onevenredig.
Oordeel van de rechtbank
5. Deze beroepsgronden slagen niet.
6. Het staat vast dat eiser de toegestane maximumsnelheid met meer dan 60 kilometer per uur heeft overschreden. Het CBR was daarom verplicht om een EMG op te leggen.
7. Daarnaast laten de toepasselijke bepalingen van de WVW en de Regeling volgens vaste rechtspraak geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. De rechtbank oordeelt dat hier geen sprake is van een uitzonderlijk geval. De rechtbank begrijpt dat het bestreden besluit nadelig is voor eiser, maar zijn situatie wijkt niet af van die van andere personen aan wie een EMG is opgelegd.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten, voor zover al gemaakt.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2024 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW), in samenhang met artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924, rechtsoverweging 7.2.