Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-01
ECLI:NL:RBZWB:2024:7074
Civiel recht; Ondernemingsrecht
Rekestprocedure
6,408 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/389786 / FA RK 21-4361
Datum uitspraak: 1 augustus 2024
nadere beschikking betreffende omgang en gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tijdens de mondelinge behandeling waargenomen door kantoorgenoot E.C.A.E. Verschuren,
tegen
[de man]
,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,
tijdens de mondelinge behandeling waargenomen door kantoorgenoot mr. F.J. Koningsveld,
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] .
De rechtbank merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
locatie Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2023 en alle daarin vermelde stukken;
- het F9-formulier van mr. Langenberg van 2 mei 2024;
- de brief van mr. Van Kerkhof van 3 mei 2024.
1.2
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de onderhavige zaak en de ter griffie onder nummers C/02/423836 / JE RK 24-1167 en C/02/424578 / JE RK 24-1294 ingeschreven zaken, zijn deze zaken op 1 augustus 2024 gelijktijdig door de rechtbank mondeling met gesloten deuren behandeld. In alle drie de zaken is bij separate beschikking beslist.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Verschuren;
- mr. Koningsveld;
- twee medewerksters van de GI;
- een medewerkster van de Raad.
De man is niet verschenen.
Beoordeling
2.1
Bij beschikking van 27 juli 2023 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak betreffende de verzoeken van partijen inzake omgang en gezag aangehouden in afwachting van het verloop van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. Daarbij zijn de advocaten van partijen verzocht om uiterlijk op 7 mei 2024 de rechtbank te berichten over het verloop van de hulpverlening en hun standpunten te geven ten aanzien van de verzoeken van partijen.
2.2
Bij F9-formulier van 2 mei 2024 heeft mr. Langenberg naar voren gebracht dat de man zijn verzoek tot gezamenlijk gezag om hem moverende redenen wenst in te trekken. De man heeft op dit moment weinig dan wel geen contact met [minderjarige] . De man verzoekt de rechtbank om de vastgestelde voorlopige omgangsregeling, zoals opgenomen in de beschikking van 27 juli 2023 (de rechtbank begrijpt: de beschikking van 12 januari 2022), in een eindbeschikking op te nemen. De man wil een stok achter de deur voor het geval in de toekomst toch contact mogelijk is. De man gaat er vanuit dat een en ander wordt begeleid door de jeugdzorgwerker in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De zaak kan schriftelijk worden afgedaan.
2.3
Bij brief van 3 mei 2024 heeft mr. Van Kerkhof naar voren gebracht dat de vrouw zich kan verenigen met de intrekking van het gezagsverzoek van de man. De vrouw kan zich echter niet verenigen met het verzoek van de man om de voorlopige omgangsregeling in een eindbeschikking op te nemen. De man heeft zelf aangegeven geen contact meer te willen met [minderjarige] . Het kan niet zo zijn dat de man op ieder door hem gewenst moment een beroep kan doen op een regeling waarvan het op dat moment de vraag is of die in het belang is van de [minderjarige] . Gesteld kan worden dat de omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Er heeft namelijk al geruime tijd geen contact plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] . De jeugdzorgwerker heeft met [minderjarige] gesproken over de keuze van de man om geen contact meer te hebben met [minderjarige] . Deze boodschap is door [minderjarige] goed opgepakt. Hij gaf aan dat hij het prettig vindt dat er duidelijkheid is. Het is niet de bedoeling dat [minderjarige] geconfronteerd wordt met onduidelijkheid. Het is aan de GI om, binnen het kader van de ondertoezichtstelling, te bezien of er mogelijkheden zijn voor wat betreft contact tussen de man en [minderjarige] en zo ja, op welke wijze dat contact moet plaatsvinden. De vrouw is van mening dat de rechtbank moet bepalen dat er op dit moment geen contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] en dat eventueel contact kan worden opgenomen onder regie van de thans betrokken jeugdzorgwerker. De rechtbank kan een eindbeschikking nemen. Een mondelinge behandeling is niet noodzakelijk.
2.4
Bij verzoekschrift van 17 juni 2024 (in de zaak met zaaknummer C/02/423836 / JE RK 24-1167) heeft de GI verzocht om de ondertoezichtstelling [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden.
2.5
Bij verzoekschrift van 4 juli 2024 (in de zaak met zaaknummer C/02/424578 / JE RK 24-1294) heeft de GI verzocht om de bij beschikking van 12 januari 2022 vastgestelde voorlopige omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de omgang tussen de man en [minderjarige] wordt stopgezet.
2.6
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen en de medewerksters van de GI hun standpunten over de voorliggende verzoeken nader toegelicht en heeft de medewerkster van de Raad een advies uitgebracht.
2.6.1
Mr. Koningsveld heeft namens de man naar voren gebracht dat er sinds april 2024 geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] en dat de man berust in deze situatie. De man laat het aan de rechtbank over hoe dit juridisch geduid moet worden, en refereert zich daarbij aan het oordeel van de rechtbank. Tegelijkertijd zou de man, op gevoelsmatige gronden, graag willen dat de voorlopige omgangsregeling, zoals bepaald bij beschikking van 12 januari 2022, wordt vastgelegd in een eindbeschikking als definitieve omgangsregeling, zoals verzocht bij F2-formulier van 2 mei 2024. De man handhaaft dan ook dit verzoek. De man handhaaft niet langer zijn verzoek om naast een reguliere omgangsregeling, ook een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. Ook staat de man nog altijd achter de intrekking van zijn verzoek tot het vaststellen van gezamenlijk gezag.
2.6.2
Door en namens de vrouw is aangevoerd dat de vrouw haar verzoeken tot het vaststellen van een reguliere omgangsregeling en vakantie- en feestdagenregeling tussen de man en [minderjarige] niet langer handhaaft en aldus intrekt. Zij sluit zich aan bij het verzoek dat de GI heeft ingediend in de zaak met zaaknummer C/02/424578 / JE RK 24-1294, te weten een stopzetting van de omgang tussen de man en [minderjarige] . De man heeft met zijn beslissing om het contact met [minderjarige] te beëindigen, [minderjarige] (wederom) afgewezen. Dat was lastig voor [minderjarige] . Bovendien mist [minderjarige] de man. Tegelijkertijd heeft deze beslissing van de man [minderjarige] rust gegeven. De omgangsmomenten gaven [minderjarige] namelijk veel stress en spanningen. Op dit moment worden de vrouw en [minderjarige] begeleid door [naam] van Prisma, die hen ambulante hulp biedt. Zij hebben hier veel steun aan. Met [minderjarige] gaat het beter. Hij is over naar de volgende klas en ontvangt nu de juiste dosis medicatie. Hierdoor verloopt het thuis ook rustiger. Indien contact tussen de man en [minderjarige] in de toekomst weer mogelijk blijkt te zijn, zal de vrouw [minderjarige] hierin waar nodig steunen. De vrouw staat het contact tussen de man en [minderjarige] niet in de weg.
2.6.3
De medewerksters van de GI hebben, onder verwijzing naar het verzoekschrift in de zaak met zaaknummer C/02/424578 / JE RK 24-1294, naar voren gebracht dat tijdens de ondertoezichtstelling is gewerkt aan het tot stand brengen van een positief en onbelaste omgang tussen de man en [minderjarige] . Dat is helaas niet gelukt. Er zijn verschillende afspraken gemaakt om [minderjarige] een veiliger gevoel te geven en om de man te ondersteunen bij het op een goede manier vormgeven van de omgang met [minderjarige] . De afspraken hebben echter niet tot een verbeterde en veilige situatie gezorgd. Evenmin heeft een ingezet hulpverleningstraject bij Groei Jeugdhulp, waarbij de man ondersteund zou worden in het contact met [minderjarige] middels begeleide bezoeken en waarbij hem advies gegeven zou worden hoe hij beter kon aansluiten bij [minderjarige] , kunnen bijdragen aan een verbetering van het contact tussen de man en [minderjarige] . Het is Groei Jeugdhulp niet gelukt om de man te coachen omdat hij niet open stond voor tips en adviezen vanuit de begeleiding. Belangrijk is dat er voor [minderjarige] rust en duidelijkheid komt in de omgang met de man. Er is sinds 25 april 2024 geen contact tussen de man en [minderjarige] . Aan de voorlopige omgangsregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 12 januari 2022, wordt dan ook geen uitvoering meer gegeven. Bovendien is deze regeling niet passend en in het belang van [minderjarige] met het oog op de huidige situatie. De GI acht daarom een stopzetting van de omgang tussen de man en [minderjarige] noodzakelijk. Indien de man in de toekomst weer behoefte zou hebben aan contact met [minderjarige] , is het aan de man om zijn verantwoordelijkheid te nemen en een verzoek tot omgang bij de rechtbank in te dienen. Op dat moment zal bekeken moeten worden welke omgangsvorm met de man in het belang van [minderjarige] zou kunnen zijn die aansluit bij de leeftijd, omstandigheden en ontwikkeling van [minderjarige] .
2.6.4
De medewerkster van de Raad heeft aangevoerd dat sprake is van een heel verdrietige situatie, zeker voor [minderjarige] gezien de wijze waarop de omgang tussen hem en de man is geëindigd.
Dictum
De rechtbank:
5.1
beëindigt de (voorlopige) omgangsregeling zoals bepaald bij (tussen)beschikking van 12 januari 2022;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2024 door mr. De Graaf, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, als griffier en schriftelijk vastgesteld op 27 augustus 2024.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Inleiding
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/389786 / FA RK 21-4361
Datum uitspraak: 1 augustus 2024
nadere beschikking betreffende omgang en gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tijdens de mondelinge behandeling waargenomen door kantoorgenoot E.C.A.E. Verschuren,
tegen
[de man]
,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg te Breda,
tijdens de mondelinge behandeling waargenomen door kantoorgenoot mr. F.J. Koningsveld,
betreffende de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 te [geboorteplaats] .
De rechtbank merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
locatie Amsterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2023 en alle daarin vermelde stukken;
- het F9-formulier van mr. Langenberg van 2 mei 2024;
- de brief van mr. Van Kerkhof van 3 mei 2024.
1.2
Gelet op de onderlinge samenhang tussen de onderhavige zaak en de ter griffie onder nummers C/02/423836 / JE RK 24-1167 en C/02/424578 / JE RK 24-1294 ingeschreven zaken, zijn deze zaken op 1 augustus 2024 gelijktijdig door de rechtbank mondeling met gesloten deuren behandeld. In alle drie de zaken is bij separate beschikking beslist.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Verschuren;
- mr. Koningsveld;
- twee medewerksters van de GI;
- een medewerkster van de Raad.
De man is niet verschenen.
Beoordeling
2.1
Bij beschikking van 27 juli 2023 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak betreffende de verzoeken van partijen inzake omgang en gezag aangehouden in afwachting van het verloop van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. Daarbij zijn de advocaten van partijen verzocht om uiterlijk op 7 mei 2024 de rechtbank te berichten over het verloop van de hulpverlening en hun standpunten te geven ten aanzien van de verzoeken van partijen.
2.2
Bij F9-formulier van 2 mei 2024 heeft mr. Langenberg naar voren gebracht dat de man zijn verzoek tot gezamenlijk gezag om hem moverende redenen wenst in te trekken. De man heeft op dit moment weinig dan wel geen contact met [minderjarige] . De man verzoekt de rechtbank om de vastgestelde voorlopige omgangsregeling, zoals opgenomen in de beschikking van 27 juli 2023 (de rechtbank begrijpt: de beschikking van 12 januari 2022), in een eindbeschikking op te nemen. De man wil een stok achter de deur voor het geval in de toekomst toch contact mogelijk is. De man gaat er vanuit dat een en ander wordt begeleid door de jeugdzorgwerker in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De zaak kan schriftelijk worden afgedaan.
2.3
Bij brief van 3 mei 2024 heeft mr. Van Kerkhof naar voren gebracht dat de vrouw zich kan verenigen met de intrekking van het gezagsverzoek van de man. De vrouw kan zich echter niet verenigen met het verzoek van de man om de voorlopige omgangsregeling in een eindbeschikking op te nemen. De man heeft zelf aangegeven geen contact meer te willen met [minderjarige] . Het kan niet zo zijn dat de man op ieder door hem gewenst moment een beroep kan doen op een regeling waarvan het op dat moment de vraag is of die in het belang is van de [minderjarige] . Gesteld kan worden dat de omgangsregeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Er heeft namelijk al geruime tijd geen contact plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] . De jeugdzorgwerker heeft met [minderjarige] gesproken over de keuze van de man om geen contact meer te hebben met [minderjarige] . Deze boodschap is door [minderjarige] goed opgepakt. Hij gaf aan dat hij het prettig vindt dat er duidelijkheid is. Het is niet de bedoeling dat [minderjarige] geconfronteerd wordt met onduidelijkheid. Het is aan de GI om, binnen het kader van de ondertoezichtstelling, te bezien of er mogelijkheden zijn voor wat betreft contact tussen de man en [minderjarige] en zo ja, op welke wijze dat contact moet plaatsvinden. De vrouw is van mening dat de rechtbank moet bepalen dat er op dit moment geen contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] en dat eventueel contact kan worden opgenomen onder regie van de thans betrokken jeugdzorgwerker. De rechtbank kan een eindbeschikking nemen. Een mondelinge behandeling is niet noodzakelijk.
2.4
Bij verzoekschrift van 17 juni 2024 (in de zaak met zaaknummer C/02/423836 / JE RK 24-1167) heeft de GI verzocht om de ondertoezichtstelling [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden.
2.5
Bij verzoekschrift van 4 juli 2024 (in de zaak met zaaknummer C/02/424578 / JE RK 24-1294) heeft de GI verzocht om de bij beschikking van 12 januari 2022 vastgestelde voorlopige omgangsregeling te wijzigen, in die zin dat de omgang tussen de man en [minderjarige] wordt stopgezet.
2.6
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen en de medewerksters van de GI hun standpunten over de voorliggende verzoeken nader toegelicht en heeft de medewerkster van de Raad een advies uitgebracht.
2.6.1
Mr. Koningsveld heeft namens de man naar voren gebracht dat er sinds april 2024 geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de man en [minderjarige] en dat de man berust in deze situatie. De man laat het aan de rechtbank over hoe dit juridisch geduid moet worden, en refereert zich daarbij aan het oordeel van de rechtbank. Tegelijkertijd zou de man, op gevoelsmatige gronden, graag willen dat de voorlopige omgangsregeling, zoals bepaald bij beschikking van 12 januari 2022, wordt vastgelegd in een eindbeschikking als definitieve omgangsregeling, zoals verzocht bij F2-formulier van 2 mei 2024. De man handhaaft dan ook dit verzoek. De man handhaaft niet langer zijn verzoek om naast een reguliere omgangsregeling, ook een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. Ook staat de man nog altijd achter de intrekking van zijn verzoek tot het vaststellen van gezamenlijk gezag.
2.6.2
Door en namens de vrouw is aangevoerd dat de vrouw haar verzoeken tot het vaststellen van een reguliere omgangsregeling en vakantie- en feestdagenregeling tussen de man en [minderjarige] niet langer handhaaft en aldus intrekt. Zij sluit zich aan bij het verzoek dat de GI heeft ingediend in de zaak met zaaknummer C/02/424578 / JE RK 24-1294, te weten een stopzetting van de omgang tussen de man en [minderjarige] . De man heeft met zijn beslissing om het contact met [minderjarige] te beëindigen, [minderjarige] (wederom) afgewezen. Dat was lastig voor [minderjarige] . Bovendien mist [minderjarige] de man. Tegelijkertijd heeft deze beslissing van de man [minderjarige] rust gegeven. De omgangsmomenten gaven [minderjarige] namelijk veel stress en spanningen. Op dit moment worden de vrouw en [minderjarige] begeleid door [naam] van Prisma, die hen ambulante hulp biedt. Zij hebben hier veel steun aan. Met [minderjarige] gaat het beter. Hij is over naar de volgende klas en ontvangt nu de juiste dosis medicatie. Hierdoor verloopt het thuis ook rustiger. Indien contact tussen de man en [minderjarige] in de toekomst weer mogelijk blijkt te zijn, zal de vrouw [minderjarige] hierin waar nodig steunen. De vrouw staat het contact tussen de man en [minderjarige] niet in de weg.
2.6.3
De medewerksters van de GI hebben, onder verwijzing naar het verzoekschrift in de zaak met zaaknummer C/02/424578 / JE RK 24-1294, naar voren gebracht dat tijdens de ondertoezichtstelling is gewerkt aan het tot stand brengen van een positief en onbelaste omgang tussen de man en [minderjarige] . Dat is helaas niet gelukt. Er zijn verschillende afspraken gemaakt om [minderjarige] een veiliger gevoel te geven en om de man te ondersteunen bij het op een goede manier vormgeven van de omgang met [minderjarige] . De afspraken hebben echter niet tot een verbeterde en veilige situatie gezorgd. Evenmin heeft een ingezet hulpverleningstraject bij Groei Jeugdhulp, waarbij de man ondersteund zou worden in het contact met [minderjarige] middels begeleide bezoeken en waarbij hem advies gegeven zou worden hoe hij beter kon aansluiten bij [minderjarige] , kunnen bijdragen aan een verbetering van het contact tussen de man en [minderjarige] . Het is Groei Jeugdhulp niet gelukt om de man te coachen omdat hij niet open stond voor tips en adviezen vanuit de begeleiding. Belangrijk is dat er voor [minderjarige] rust en duidelijkheid komt in de omgang met de man. Er is sinds 25 april 2024 geen contact tussen de man en [minderjarige] . Aan de voorlopige omgangsregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 12 januari 2022, wordt dan ook geen uitvoering meer gegeven. Bovendien is deze regeling niet passend en in het belang van [minderjarige] met het oog op de huidige situatie. De GI acht daarom een stopzetting van de omgang tussen de man en [minderjarige] noodzakelijk. Indien de man in de toekomst weer behoefte zou hebben aan contact met [minderjarige] , is het aan de man om zijn verantwoordelijkheid te nemen en een verzoek tot omgang bij de rechtbank in te dienen. Op dat moment zal bekeken moeten worden welke omgangsvorm met de man in het belang van [minderjarige] zou kunnen zijn die aansluit bij de leeftijd, omstandigheden en ontwikkeling van [minderjarige] .
2.6.4
De medewerkster van de Raad heeft aangevoerd dat sprake is van een heel verdrietige situatie, zeker voor [minderjarige] gezien de wijze waarop de omgang tussen hem en de man is geëindigd.
Dictum
De rechtbank:
5.1
beëindigt de (voorlopige) omgangsregeling zoals bepaald bij (tussen)beschikking van 12 januari 2022;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2024 door mr. De Graaf, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, als griffier en schriftelijk vastgesteld op 27 augustus 2024.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.