Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-14
ECLI:NL:RBZWB:2024:6981
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,049 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/2760 tot en met BRE 23/2763
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 oktober 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. drs. G.W. Beuker),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. De rechtbank verwijst voor de feiten en de rechtsoverwegingen naar de tussenuitspraak van 26 augustus 2024.
1.1.
Partijen hebben op de tussenuitspraak gereageerd. Belanghebbende via een mail aan de inspecteur op 10 september 2024. De inspecteur bij brief van 12 september 2024 waarbij de mail van belanghebbende was gevoegd.
Beoordeling
2. Uit de in 1.1. vermelde reacties blijkt dat de naheffingsaanslagen, uitgaande van het oordeel van de rechtbank, juist zijn.
2.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak. Zij heeft daar recht op. Het eerste bezwaarschrift is bij de inspecteur ingekomen op 22 augustus 2022, de inspecteur heeft uitspraak gedaan op 21 april 2023 en de rechtbank doet uitspraak op 14 oktober 2024. De termijn wordt verlengd met de periode die is verstreken doordat partijen na de tussenuitspraak informatie hebben aangeleverd (de periode tussen 26 augustus 2024 en 12 september 2024 van 2 weken en 3 dagen) en eindigde dan op 9 september 2024. Met inachtneming van een redelijke verzendtermijn van de uitspraak van de rechtbank is de redelijke termijn van 2 jaar dan overschreden met afgerond 2 maanden. De overschrijding is geheel te wijten aan de bezwaarfase. De rechtbank zal de inspecteur daarom opdragen de daardoor ontstane immateriële schade van € 500 aan belanghebbende te vergoeden.
Conclusie
1.1.
De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt wel een vergoeding voor de kosten voor het indienen van haar verzoek om een immateriëleschadevergoeding. De te vergoeden proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 328,13 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875, een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaken en een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 328,13 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechters, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier op 14 oktober 2024. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Griffier
Voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Zie Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 en Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:773.