Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:6941
Strafrecht
Op tegenspraak
4,742 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-040131-23
tussenvonnis van de meervoudige kamer van 11 oktober 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. C.C. Wijburg, advocaat te Utrecht
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 september 2024, waarbij de officier van justitie, mr. E.M.H.B.C. van Aalst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht, dan wel ontucht heeft gepleegd met een aan zijn hulp en zorg toevertrouwde cliënt, te weten die [slachtoffer] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering.
Er is geen reden tot schorsing van de vervolging.
4De onvolledigheid van het onderzoek ter terechtzitting.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het vermeende slachtoffer. Dit betekent dat – zoals het geval is in deze zaak, waarin wordt ontkend dat de handelingen zijn gepleegd – de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Tijdens de beraadslaging na sluiting van het onderzoek ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, aangezien de rechtbank zich op basis van de voorhanden zijnde stukken en het onderzoek ter zitting onvoldoende geïnformeerd acht over de vraag hoe de verklaringen van het vermeende slachtoffer moeten worden gewaardeerd als het aankomt op authenticiteit en consistentie en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen, een en ander tegen de achtergrond van de ziekte waaraan het slachtoffer leed. Eveneens acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd over de vraag hoe de emoties van het vermeende slachtoffer zoals die na het incident door getuigen zijn waargenomen, moeten worden gewaardeerd. De rechtbank zal om die reden het onderzoek heropenen en schorsen tot een nader te bepalen tijdstip.
Over het nog te verrichten onderzoek overweegt de rechtbank als volgt.
Door de verdediging is ter zitting een verweer gevoerd dat ziet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende [slachtoffer] . Zij heeft zelf geen aangifte gedaan, waardoor de zich in het dossier bevindende verklaringen allemaal de auditu-verklaringen betreffen. [slachtoffer] zou niet consistent zijn geweest in hetgeen zij aan anderen heeft verteld. Nu het medisch dossier van [slachtoffer] ontbreekt in het dossier, is naar de mening van de verdediging onvoldoende inzicht verkregen in haar geestelijke en lichamelijke toestand voor en na 12 september 2022. Er was sprake van dementie, dit kan invloed hebben gehad op haar belevingen of verklaringen. Evenmin is bekend of zij voorafgaand aan 12 september 2022 mogelijk al een urineweginfectie had.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] 3 weken na de vermeende gebeurtenis is overleden. Zij heeft daardoor zelf niet meer met de politie kunnen spreken. Het is juist dat de zich in het dossier bevindende verklaringen allen de auditu-verklaringen van getuigen betreffen. Tegen deze getuigen heeft [slachtoffer] op hoofdlijnen hetzelfde verhaal verteld.
Ook stelt de rechtbank vast dat de dochter van [slachtoffer] en haar vaste verzorgster een wijziging in haar gedrag hebben waargenomen na 12 september 2022. Ze was verdrietig en angstig. Dit gedrag is in de 3 weken tot aan haar overlijden onveranderd gebleven.
Bij de bewijswaardering van deze vaststellingen dient de rechtbank zorgvuldig en voorzichtig te zijn. Er was bij [slachtoffer] namelijk sprake van dementie. Nadere informatie hierover ontbreekt in het dossier. Ter zitting heeft de dochter aangegeven dat haar moeder vasculaire dementie had. Daarmee is nog niets gezegd over het verloop en de ontwikkeling van de dementie. Immers, nu medische gegevens over de dementie en de effecten daarvan op het gedrag van [slachtoffer] ontbreken, is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk wat de geestelijke en lichamelijke toestand van [slachtoffer] was voor, op en na 12 september 2022. De vraag is of haar medische situatie van invloed is geweest op haar realiteitszin en herinneringen en dus op de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
De rechtbank beseft dat zowel de nabestaanden als verdachte behoefte hebben aan duidelijkheid. Tegelijkertijd hecht de rechtbank waarde aan zorgvuldigheid en nauwkeurigheid waarmee deze zaak beoordeeld moet worden. Voor de beoordeling of het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, is dan ook van belang dat de rechtbank nader wordt voorgelicht over de geestelijke en lichamelijke toestand van [slachtoffer] voor, op en na 12 september 2022. De rechtbank wenst daarom als getuigen te horen de vaste [verzorgster] en de [psycholoog] . Daarnaast wenst zij kennis te nemen van het medisch dossier van [slachtoffer] , zoals bekend bij haar huisarts en de verpleeghuisarts bij Surplus Zorg, [locatie] te [plaats] door middel van het horen van laatstgenoemde arts.
Nu het nadere onderzoek uitsluiteind bestaat uit het horen van getuigen, is de rechtbank ex artikel 316, tweede lid, Sv voornemens uit haar midden een rechter-commissaris aan te wijzen, te weten mr. C.E.M. Marsé.
Dictum
De rechtbank:
- heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;
- benoemt mr. C.E.M. Marsé als rechter-commissaris en stelt haar de stukken in handen, teneinde de volgende getuigen te horen:
- [verzorgster] ;
- [psycholoog] ; - de verpleeghuisarts van Surplus Zorg, [locatie] te [plaats] ;
- beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat en beveelt dat de benadeelde partij van dit tijdstip in kennis wordt gesteld.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 oktober 2024.
Mr. C.E.M. Marsé en de griffier zijn buiten staat dit tussenvonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
hij op of omstreeks 12 september 2022 te Breda, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- misbruik te maken van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van de (hoogbejaarde) [slachtoffer] en/of
- een psychisch en een fysiek overwicht op die [slachtoffer] te hebben, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of
- aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie te doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken,
die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] ;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 september 2022 te Breda, althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door
- het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] ;
( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-040131-23
tussenvonnis van de meervoudige kamer van 11 oktober 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. C.C. Wijburg, advocaat te Utrecht
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 september 2024, waarbij de officier van justitie, mr. E.M.H.B.C. van Aalst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht, dan wel ontucht heeft gepleegd met een aan zijn hulp en zorg toevertrouwde cliënt, te weten die [slachtoffer] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering.
Er is geen reden tot schorsing van de vervolging.
4De onvolledigheid van het onderzoek ter terechtzitting.
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans laten kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het vermeende slachtoffer. Dit betekent dat – zoals het geval is in deze zaak, waarin wordt ontkend dat de handelingen zijn gepleegd – de rechtbank eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor die verklaring voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Tijdens de beraadslaging na sluiting van het onderzoek ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, aangezien de rechtbank zich op basis van de voorhanden zijnde stukken en het onderzoek ter zitting onvoldoende geïnformeerd acht over de vraag hoe de verklaringen van het vermeende slachtoffer moeten worden gewaardeerd als het aankomt op authenticiteit en consistentie en daarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen, een en ander tegen de achtergrond van de ziekte waaraan het slachtoffer leed. Eveneens acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd over de vraag hoe de emoties van het vermeende slachtoffer zoals die na het incident door getuigen zijn waargenomen, moeten worden gewaardeerd. De rechtbank zal om die reden het onderzoek heropenen en schorsen tot een nader te bepalen tijdstip.
Over het nog te verrichten onderzoek overweegt de rechtbank als volgt.
Door de verdediging is ter zitting een verweer gevoerd dat ziet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende [slachtoffer] . Zij heeft zelf geen aangifte gedaan, waardoor de zich in het dossier bevindende verklaringen allemaal de auditu-verklaringen betreffen. [slachtoffer] zou niet consistent zijn geweest in hetgeen zij aan anderen heeft verteld. Nu het medisch dossier van [slachtoffer] ontbreekt in het dossier, is naar de mening van de verdediging onvoldoende inzicht verkregen in haar geestelijke en lichamelijke toestand voor en na 12 september 2022. Er was sprake van dementie, dit kan invloed hebben gehad op haar belevingen of verklaringen. Evenmin is bekend of zij voorafgaand aan 12 september 2022 mogelijk al een urineweginfectie had.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] 3 weken na de vermeende gebeurtenis is overleden. Zij heeft daardoor zelf niet meer met de politie kunnen spreken. Het is juist dat de zich in het dossier bevindende verklaringen allen de auditu-verklaringen van getuigen betreffen. Tegen deze getuigen heeft [slachtoffer] op hoofdlijnen hetzelfde verhaal verteld.
Ook stelt de rechtbank vast dat de dochter van [slachtoffer] en haar vaste verzorgster een wijziging in haar gedrag hebben waargenomen na 12 september 2022. Ze was verdrietig en angstig. Dit gedrag is in de 3 weken tot aan haar overlijden onveranderd gebleven.
Bij de bewijswaardering van deze vaststellingen dient de rechtbank zorgvuldig en voorzichtig te zijn. Er was bij [slachtoffer] namelijk sprake van dementie. Nadere informatie hierover ontbreekt in het dossier. Ter zitting heeft de dochter aangegeven dat haar moeder vasculaire dementie had. Daarmee is nog niets gezegd over het verloop en de ontwikkeling van de dementie. Immers, nu medische gegevens over de dementie en de effecten daarvan op het gedrag van [slachtoffer] ontbreken, is het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk wat de geestelijke en lichamelijke toestand van [slachtoffer] was voor, op en na 12 september 2022. De vraag is of haar medische situatie van invloed is geweest op haar realiteitszin en herinneringen en dus op de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
De rechtbank beseft dat zowel de nabestaanden als verdachte behoefte hebben aan duidelijkheid. Tegelijkertijd hecht de rechtbank waarde aan zorgvuldigheid en nauwkeurigheid waarmee deze zaak beoordeeld moet worden. Voor de beoordeling of het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, is dan ook van belang dat de rechtbank nader wordt voorgelicht over de geestelijke en lichamelijke toestand van [slachtoffer] voor, op en na 12 september 2022. De rechtbank wenst daarom als getuigen te horen de vaste [verzorgster] en de [psycholoog] . Daarnaast wenst zij kennis te nemen van het medisch dossier van [slachtoffer] , zoals bekend bij haar huisarts en de verpleeghuisarts bij Surplus Zorg, [locatie] te [plaats] door middel van het horen van laatstgenoemde arts.
Nu het nadere onderzoek uitsluiteind bestaat uit het horen van getuigen, is de rechtbank ex artikel 316, tweede lid, Sv voornemens uit haar midden een rechter-commissaris aan te wijzen, te weten mr. C.E.M. Marsé.
Dictum
De rechtbank:
- heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd;
- benoemt mr. C.E.M. Marsé als rechter-commissaris en stelt haar de stukken in handen, teneinde de volgende getuigen te horen:
- [verzorgster] ;
- [psycholoog] ; - de verpleeghuisarts van Surplus Zorg, [locatie] te [plaats] ;
- beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat en beveelt dat de benadeelde partij van dit tijdstip in kennis wordt gesteld.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter, mr. C.E.M. Marsé en mr. P.A.M. Wijffels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 oktober 2024.
Mr. C.E.M. Marsé en de griffier zijn buiten staat dit tussenvonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
hij op of omstreeks 12 september 2022 te Breda, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- misbruik te maken van de lichamelijke gezondheid en gesteldheid van de (hoogbejaarde) [slachtoffer] en/of
- een psychisch en een fysiek overwicht op die [slachtoffer] te hebben, mede gelet op het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [slachtoffer] en/of
- aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie te doen ontstaan waaraan zij zich niet kon onttrekken,
die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] ;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 september 2022 te Breda, althans in Nederland, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door
- het onverhoeds duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en/of
- het betasten en/of strelen van de billen en/of borsten en/of tepels van die [slachtoffer] en/of
- het vastpakken en/of vasthouden van de tepels van die [slachtoffer] ;
( art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )