Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-08
ECLI:NL:RBZWB:2024:6911
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,371 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaak-/rekestnummer: C/02/409199/ FA RK 23-2102
beschikking betreffende echtscheiding d.d. 8 oktober 2024
in de zaak van
[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
verzoeker,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
verweerster,
advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove, kantoorhoudende te Breda,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als informant aan:
de Stichting Jeugdbescherming Brabant
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
gevestigd in Roosendaal.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1Het verdere procesverloop
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 8 februari 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het rapport van de Raad van 26 april 2024;
- de brief van mr. Bronsveld van 23 juli 2024, met bijlage;
- de brief van mr. van Fraaijenhove van 16 augustus 2024, met bijlagen.
1.2
De zaak is nader mondeling behandeld op de mondelinge behandeling van 29 augustus 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De vrouw is een gedeelte van de mondelinge behandeling bijgestaan door een tolk in de Engelse taal via een telefonische tolkdienst. Tevens waren aanwezig twee vertegenwoordigers van de GI alsmede een vertegenwoordigster van de Raad.
2De verdere beoordeling
2.1
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 februari 2024 is de beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden en is de Raad opdracht gegeven tot het doen van een onderzoek. In diens rapport van 26 april 2024 adviseert de Raad dat er moet worden gewerkt aan contactopbouw tussen de man en de minderjarigen. De grootste belemmering is het feit dat ouders niet met elkaar communiceren. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd omdat ze al langere tijd geen contact met hun vader hebben. De strijd tussen de ouders is zo hoog dat de man zich uit het leven van de kinderen terugtrekt. De Raad adviseert het verzoek omtrent de zorg- en contactregeling aan te houden voor de duur van 9 maanden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening en de ontwikkelingen in de komende maanden. Daarnaast adviseert de Raad het gezag niet te wijzigen. Kijkend naar de zorgen en krachten en deze tegen elkaar afgewogen ziet de Raad op dit moment geen onaanvaardbaar groot risico dat de kinderen het in stand laten van het gezamenlijk gezag dusdanig klem of verloren zullen raken tussen de ouders. De Raad overweegt dat de last van het mede uitoefenen van het gezag door de man relatief gezien voor de vrouw niet zo zwaar is. De man stelt de opvoeding en de beslissingen van de vrouw ook niet ter discussie. Bovendien verwacht de Raad dat de ouders met behulp van hulpverlening kunnen werken aan de invulling van het gezamenlijk gezag. De Raad heeft het onderzoek uitgebreid met een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermende maatregel.
2.2
Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 mei 2024 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI tot en met 15 september 2024.
2.3
Bij brief van 16 augustus 2024 heeft de vrouw haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek te bepalen dat hij huurder zal zijn van de echtelijke woning, zijn verzoek omtrent de verdeling van de gemeenschap van goederen en zijn verzoek te bepalen dat de vrouw hem een bedrag van € 5.000,- dient te voldoen, ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ook de vrouw haar verzoek te bepalen dat zij huurder zal zijn van de echtelijke woning, ingetrokken. Gelet op deze intrekking hoeven deze verzoeken niet meer te worden beoordeeld. De rechtbank zal deze verzoeken dan ook afwijzen.
2.4
Op dit punt in de procedure moet de rechtbank nog een beslissing nemen op het verzoek van de man om in het huwelijk van partijen de echtscheiding uit te spreken en op het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voortaan het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen van partijen uitoefent.
2.5
Door en namens de vrouw wordt tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de man de keuze heeft gemaakt om afstand te doen van de kinderen. De vrouw zal, als de man op termijn toch weer contact wil met de kinderen, daaraan meewerken. Voor nu wil de vrouw dat de kinderen zich veilig voelen en dat het goed met ze gaat. Ze gunt de kinderen het contact met hun vader maar op dit moment heeft de man een duidelijke keuze gemaakt. Het is in het belang van zowel de kinderen als partijen dat er snel duidelijkheid komt in deze zaak. De man heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag, dus dat verzoek moet worden toegewezen. Ook als de man niet meer met het gezag over de minderjarigen zal zijn belast zal de vrouw hem van informatie over de minderjarigen blijven voorzien.
2.6
Door en namens de man wordt tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het juist is dat hij heeft besloten geen contact met de minderjarigen te hebben. Hij heeft dit besluit deels uit verdriet genomen. De man wenst dat de scheiding zo snel mogelijk wordt uitgesproken en dat de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen. De advocaat van de man voert aan dat de Raad zich af moet vragen of het wel zinvol is om de ondertoezichtstelling te verlengen. Het zou de man veel waard zijn als er niet nog meer zittingen bij de rechtbank komen waar hij moet verschijnen. Hij heeft een keuze gemaakt en daar moet nu naar gehandeld worden. De advocaat van de man geeft de Raad in overweging mee om het restant van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling dat nog voorligt, in te trekken.
2.7
De GI verklaart tijdens de mondelinge behandeling dat het belangrijk is dat kinderen contact hebben met beide ouders. De man heeft echter een standpunt ingenomen en blijft daarachter staan. Hij wil geen contact met de kinderen. De GI heeft geprobeerd om samen met de man te onderzoeken welke mogelijkheden tot contact(herstel) er zouden zijn, zoals inzet van systeemtherapie of het laten plaatsvinden van contact via bellen. De man heeft echter laten weten dat er geen mogelijkheden zijn die onderzocht kunnen worden. De GI vraagt zich af of een ondertoezichtstelling nog wel een meerwaarde heeft op het moment dat de man niet meer met het gezag over de minderjarigen zal zijn belast en aan één van de doelen, toewerken naar contact tussen de man en de minderjarigen, niet meer gewerkt wordt.
Dictum
De rechtbank:
3.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 5 december 2019 in de gemeente Alphen aan den Rijn met elkaar gehuwd;
3.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2023 te [geboorteplaats] voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
3.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024 in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.