Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-10-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:6835
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
972 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2709
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen brief van de heffingsambtenaar van 23 maart 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend betreffende de WOZ-beschikking met [aanslagnummer] alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. Het bezwaarschrift is ontvangen door de heffingsambtenaar op 2 maart 2023.
3. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 23 maart 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat er voor deze WOZ-beschikking en aanslagen eerder op 20 augustus 2021 al uitspraak op bezwaar is gedaan en dat het (tweede) bezwaarschrift niet in behandeling genomen kan worden.
4. Belanghebbende heeft vervolgens met dagtekening 3 mei 2023 beroep ingesteld tegen de brief van de heffingsambtenaar.
5. De heffingsambtenaar heeft gereageerd op het beroepschrift en voert aan dat voor dezelfde WOZ-beschikking en aanslagen de beroepsprocedure reeds is doorlopen onder zaaknummer BRE 21/4679.
6. De rechtbank constateert dat het beroep met zaaknummer BRE 21/4679 zag op dezelfde WOZ-beschikking en aanslagen. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2021 is bij uitspraak van 18 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van een machtiging. Hiertegen heeft belanghebbende verzet ingesteld. Het verzet is vervolgens behandeld op de zitting van 9 september 2022 en ter zitting ingetrokken.
7. Het is niet mogelijk om nogmaals beroep in te stellen nadat al een rechtsgang is doorlopen. Het systeem van de wet verzet zich daartegen. De rechtsgang is in deze procedure doorlopen en geëindigd bij de intrekking van het verzet. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Immateriële schadevergoeding
8. Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn. Gelet op het hiervoor overwogene is het niet mogelijk om nogmaals beroep in te stellen. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt reeds om die reden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 11 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vgl. Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660.