Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:6610
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,380 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/425203 / JE RK 24-1419 – C/02/425198 / JE RK 24-1417
Datum uitspraak: 12 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2011,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de afzonderlijke verzoekschriften, met bijlagen, ontvangen op 25 juli 2024,
- het op 2 september 2024 schriftelijke bericht van de moeder.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Zij heeft de kinderrechter bericht dat zij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling niet zal verschijnen. Tevens heeft zij daarin haar standpunt medegedeeld en toegelicht.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 5 september 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 14 september 2023 tot 14 september 2024.
2.4.
Bij beschikking van 12 juli 2024 is de verdeling van zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat een co-ouderschap is vastgesteld.
3De verzoeken
Door de GI is verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen, in eerste instantie voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De verzoeken zijn door de GI mondeling aangevuld, aldus dat zij thans verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor een periode van twaalf maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4Het standpunt van de GI
4.1.
Ter onderbouwing van de afzonderlijke verzoeken is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - naar voren gebracht dat er inmiddels sprake is van een
co-ouderschap. Feitelijk groeien de kinderen daardoor op in twee verschillende opvoedsituaties. Bij [minderjarige 1] is sprake van het syndroom van Williams-Beuren, hij heeft een IQ tussen de 43 en 56. [minderjarige 1] volgt speciaal onderwijs. [minderjarige 2] gaat naar het regulier basisonderwijs.
4.2.
De zorgen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien in hoofdzaak op de situatie dat de ouders met regelmaat in conflict raken met elkaar over opvoed- en regelzaken van en voor deze minderjarigen. In de afgelopen periode is gewerkt aan het wegnemen van de daarin schuilende ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , te weten aan de volgende doelstellingen:
• [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben met beide ouders onbelast contact en zij ervaren rust en
duidelijkheid in de thuissituatie;
• [minderjarige 1] krijgt de zorg en begeleiding die hij nodig heeft om zich verder en goed
(binnen zijn mogelijkheden) te ontwikkelen;
• [minderjarige 2] zelfvertrouwen wordt vergroot waardoor haar sociale- en emotionele
ontwikkeling groeit.
4.3.
De uitvoering van de ondertoezichtstelling is door de stichting Jeugdbescherming Brabant overgedragen naar de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, omdat het zorgkantoor de eis stelde dat een onafhankelijk gewaarborgde hulp betrokken moest worden voor het beheer van het persoonsgebonden budget (hierna: PGB) voor [minderjarige 1] . Tot op heden is die situatie ongewijzigd gebleven, omdat er geen andere onafhankelijke partij kon worden gevonden en daardoor de gewaarborgde hulp (nog) niet kon worden overgedragen.
4.4.
De GI is teruggekomen op haar aanvankelijke besluit, om geen verlenging van de ondertoezichtstelling meer te verzoeken. Toen werd gezien dat de ouders alle benodigde hulpverlening accepteerden en dat zij daaraan meewerkten. Tevens werd verwacht dat de door de rechtbank gegeven beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedtaken rust en duidelijkheid voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou brengen. Het besluit om de ondertoezichtstelling te stoppen werd vervolgens door de Raad voor de Kinderbescherming niet ondersteund. Daartoe werd aangevoerd dat er nog zorgen werden gezien in de communicatie tussen de ouders en dat een ondertoezichtstelling daarom nog noodzakelijk werd geacht om het verloop daarvan te blijven monitoren. De GI heeft vervolgens een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend voor een periode van zes maanden, ervan uitgaande dat vervolgens de opvoedsituatie van de minderjarigen voldoende stabiel zou worden en het hoogst haalbare zou zijn bereikt.
4.5.
Al snel bleek dat van de verwachte afname van de onrust in het gezamenlijk ouderschap geen sprake was. Dit volgde onder meer uit het door de moeder ingestelde hoger beroep tegen de beslissing inzake de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Gelet tevens op de onduidelijkheid met betrekking tot de onderlinge communicatie over regelzaken in de zorg en opvoeding, heeft de GI er daarom voor gekozen een sturende rol aan te nemen. In de procedure bij het hof heeft de Raad zich op het standpunt gesteld dat de kinderen gevoelsmatig een spanningsveld tussen de ouders ervaren, waarmee zij zo goed als mogelijk proberen om te gaan. In de visie van de Raad zouden de kinderen middels een verlenging van de ondertoezichtstelling daarin ondersteund kunnen worden. Ook kan daardoor worden gemonitord of er na verloop van tijd nog (andere) zorgpunten naar voren komen.
Het gerechtshof heeft intussen het co-ouderschap bekrachtigd. Dit betekent dat de ouders ieder hun eigen aandeel in de zorg en opvoeding van de kinderen dienen te behartigen.
4.6.
Rekening houdend met de veranderde - hiervóór beschreven - omstandigheden ziet de GI zich genoodzaakt haar oorspronkelijke verzoek te herzien en verzoekt zij de ondertoezichtstelling te verlengen voor een periode van twaalf maanden. De GI acht in dat verband tevens van belang dat op door de jeugdbeschermer ondernomen pogingen om met de moeder in gesprek te komen over belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waaronder het onderwijs van [minderjarige 1] , de moeder expliciet heeft aangegeven het komend half jaar gesprekken met de jeugdbeschermer en met de betrokken hulpverlening niet op prijs te stellen en daaraan niet mee te zullen werken. Ook heeft zij duidelijk gemaakt dat zij uitsluitend bereid is de jeugdbeschermer toegang tot haar woning te verschaffen voor het voeren van gesprekken met de kinderen. Tevens laat zij na de vader, ook op zijn uitdrukkelijk verzoek, te informeren over belangrijke zaken de kinderen betreffende. De vader zag zich daarom, meer specifiek waar het actuele medische toestand van [minderjarige 1] betreft, genoodzaakt om zelf met de behandelend arts contact te zoeken. De GI beschouwt dit als een zeer onwenselijke situatie, temeer nu achteraf is gebleken dat de ouders daardoor niet over eenduidige informatie over de medische behandeling van [minderjarige 1] beschikken. Dit is echter van levensbelang. Daarnaast is er een sprake van een verschil in visie bij de ouders over vitamines die bij de vader thuis aan [minderjarige 1] worden verstrekt en de moeder geeft niet altijd voldoende medicatie voor [minderjarige 1] mee naar de vader. Ook blijkt dat het PGB ten aanzien van [minderjarige 1] nog steeds tot discussies tussen de ouders leidt. [minderjarige 1] loopt daardoor het risico zijn huidige schoolopleiding niet te kunnen voortzetten, vanwege het niet kunnen volgen van een stage. Al deze omstandigheden bij elkaar maken dat de GI inmiddels serieuze vraagtekens plaatst bij het co-ouderschap in zijn huidige vorm. Immers blijken er aan deze constructie en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven in meerdere opzichten belangrijke risico’s te kleven voor de (fysieke) gezondheid en de ontwikkeling van beide kinderen. Ook zijn er, gezien de actuele opstelling van de moeder naar de hulpverlening en de overige van haar ontvangen signalen, erop duidend dat zij nog kampt met verwerkingsproblematiek, zorgen en twijfels over haar emotionele stabiliteit op dit moment als verzorger/opvoeder.
5De standpunten van de ouders
5.1.
De moeder heeft in haar brief van 28 augustus 2024 samengevat bericht dat zij het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ondersteunt.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog steeds wordt voldaan. De belangrijkste zorgen, die ertoe leiden dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd, zijn nog steeds aanwezig en intussen zelfs in omvang toegenomen. De ouders komen nog steeds niet tot overeenstemming over opvoed- en overige (regel)zaken de kinderen betreffende, wat leidt tot regelmatige conflicten en acties in het nadeel van de kinderen, die opgroeien in een co-ouderschap. Tevens blijkt dat de vader over belangrijke (regel)zaken de kinderen betreffende, waaronder medische aangelegenheden, door de moeder niet wordt geïnformeerd. Bovendien geeft de moeder intussen blijk van een andere houding/opstelling, die maakt dat de jeugdbeschermer als ondersteuner tevens regievoerder geen of althans onvoldoende ingang bij haar krijgt.
Beide ouders stemmen in met de verzochte verlenging.
6.2.
De kinderrechter zal daarom - overeenkomstig het aldus gewijzigd verzoek - de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van twaalf maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
Dictum
De kinderrechter:
in beide zaken
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 14 september 2024 tot 14 september 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2024 door mr Combee, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 24 september 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.