Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-13
ECLI:NL:RBZWB:2024:6383
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,915 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/404448 / FA RK 22-5687
Datum uitspraak: 13 september 2024
nadere beschikking in de zaak van
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2010 te [plaats 1] ,
thans verblijvende te [plaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende te [plaats 1] ,
en
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove advocaat te Breda.
De Raad voor de Kinderbescherming Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, wordt op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de procedure.
1. Het verdere verloop van het geding
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 18 juli 2023 en alle daarin genoemde stukken:
- de e-mail van mr. Van Fraaijenhove van 15 april 2024;
- de e-mail van de procesregisseur Jeugd van de gemeente Breda van 16 april 2024;
- de e-mail met bijlage van de vader van 17 april 2024;
- de e-mail van de vader van 2 mei 2024;
- de e-mail met bijlagen van mr. Van Fraaijenhove van 21 mei 2024;
- de terugkoppeling van het UHA-traject van de procesregisseur bij de Gemeente Breda van 21 juni 2024;
- de e-mail van de procesregisseur bij de Gemeente Breda van 5 juli 2024;
- de e-mail met bijlage van mr. Van Fraaijenhove van 26 augustus 2024.
1.2 De kinderrechter heeft weer met [minderjarige] gesproken op 26 augustus 2024.
1.3 Op 30 augustus 2024 heeft de nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen en gehoord de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader en een vertegenwoordigster namens de Raad. Bij die mondelinge behandeling is tevens aanwezig geweest, en als belanghebbende aangemerkt de partner van de vader.
2De nadere beoordeling
2.1
Bij beschikking van de kinderrechter van 18 juli 2023 is de vraag van [minderjarige] aangehouden tot 17 april 2024 pro forma en zijn de ouders en [minderjarige] verwezen voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod.
2.2
Aan de orde is de vraag van [minderjarige] om te bepalen dat de zorgregeling wordt aangepast, omdat hij bij zijn vader wil wonen.
2.3
Uit de overgelegde stukken is het volgende gebleken. [minderjarige] woont sinds medio februari 2023 volledig bij zijn vader. Hij heeft een periode (vrijwel) geen contact gehad met zijn moeder. In april 2024 is in het kader van het [traject] gestart. [minderjarige] heeft gesprekken gehad met een kindbehartiger. De vader en de moeder hebben gesprekken gehad en een (concept)ouderschapsplan opgesteld, waarin een zorgregeling is opgenomen tussen [minderjarige] en de moeder. De moeder is recent verhuisd naar [plaats 2]. Ondanks dat er geen akkoord was voor verlenging van het Uniform Hulpaanbod zijn er bij de Procesregisseur Jeugd van de Gemeente Breda nog enkele gesprekken georganiseerd om de knelpunten uit het ouderschapsplan vlot te trekken. Uit de e-mail van deze Procesregisseur van 5 juli 2024 is gebleken dat er op vrijwel alle punten overeenstemming is bereikt tussen de ouders, met uitzondering van het halen en brengen van [minderjarige] en zijn [broertje].
2.4
[minderjarige] heeft, kort samengevat, bij de kinderrechter verteld dat hij in augustus 2024 voor het eerst een weekend naar zijn moeder in [plaats 2] is gegaan. Hij vindt de regeling die zijn ouders hebben afgesproken goed. Het gaat goed met hem.
2.5
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] inmiddels vaker naar de moeder gaat dan beschreven staat in het concept ouderschapsplan. De vader heeft een rooster gemaakt waarin duidelijk is opgenomen wanneer [minderjarige] en zijn broertje bij de moeder verblijven en dit aan de moeder verzonden. [minderjarige] heeft met dit rooster ingestemd. Het komt erop neer dat [minderjarige] ongeveer tweemaal per maand naar de moeder gaat. De moeder is bekend met dit rooster. Er vindt correspondentie plaats tussen de vader, de moeder en de Procesregisseur over een nadere uitwerking van de vakantieverdeling. De ouders hebben eind oktober 2024 een volgend gesprek bij de Procesregisseur.
2.6
De kinderrechter overweegt als volgt. [minderjarige] heeft zich tot de kinderrechter gewend via de zogenoemde ‘informele rechtsingang’. Hij kan namelijk als minderjarige niet zelfstandig een officieel verzoek indienen. De kinderrechter kan op vraag van een minderjarige ambtshalve een beslissing geven over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders (artikel 1:253a juncto artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter ziet geen noodzaak meer ambtshalve een beslissing te nemen op de vraag van [minderjarige] . Er is immers voldaan aan zijn vraag, aangezien hij al geruime tijd bij zijn vader woont. Er is inmiddels ook een lopende zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder. De ouders zijn tevens (op vrijwillige basis) nog in gesprek met elkaar bij de Procesregisseur Jeugd van de gemeente om over de laatste openstaande punten nog afspraken te maken. Het is erg fijn voor [minderjarige] dat er nu duidelijkheid is over waar hij woont en dat er goede afspraken zijn over de contactregeling tussen [minderjarige] en de moeder. De kinderrechter zal daarom niet ambtshalve een beslissing nemen op de vraag van [minderjarige] .
2.7
[minderjarige] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat hij de beslissing graag via zijn vader wil horen, daarom het verzoek aan de vader om aan [minderjarige] de beslissing van de kinderrechter uit te leggen.
Dictum
De kinderrechter:
3.1
neemt geen ambtshalve beslissing op de vraag van [minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2024 door mr. Phillips, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Verger-Maas als griffier.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld
a. door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te
's-Hertogenbosch.
verzonden: