Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-22
ECLI:NL:RBZWB:2024:636
Strafrecht
Raadkamer
826 tokens
Dictum
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.C.M. Tönis advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het klaagschrift, dat - ondertekend door of namens klager - tijdig is ingediend ter griffie van het op grond van artikel 552a Sv bevoegde gerecht;
de kennisgeving inbeslagneming;
de conclusie van het openbaar ministerie;
de overige stukken.
Op 8 januari 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. R.C.P. Rammeloo en de gemachtigd raadsvrouw mr. A.C.M. Tönis gehoord.
Klager is hoewel behoorlijk opgeroepen niet bij de behandeling in raadkamer verschenen.
Ter zitting heeft de raadsvrouw aangegeven dat zij vrijdag voor de zitting een bericht van het openbaar ministerie heeft ontvangen, waarin staat dat de officier van justitie heeft beslist tot teruggave van het onder klager in beslag genomen geld.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er niet langer sprake meer is van inbeslagname, zodat het klaagschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op het geldbedrag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van het goed kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen strafvorderlijk belang meer is bij het voortduren van het beslag op het geldbedrag en heeft tot teruggave besloten. De rechtbank stelt vast dat het beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv daardoor is geëindigd. De rechtbank zal de klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag.
Dictum
De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is op 22 januari 2024 gegeven door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering.