Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:6308
Strafrecht
Raadkamer
3,474 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 2005,wonende te [woonadres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. M. Houweling, Bovendonk 11a, 4707 ZH Roosendaal
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 25 april 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 882,09, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 22 april 2024;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie en mr. M. Houweling als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat verzoeker werd verdacht van het rijden zonder rijbewijs op 2 januari 2021. Na een bericht vanuit de advocaat van verzoeker aan het Openbaar Ministerie heeft de advocaat per e-mailbericht van 18 april 2024 heeft de advocaat vernomen dat de zaak op 15 november 2023 is geseponeerd door de officier van justitie wegens ouderdom van de zaak. Volgens verzoeker is er geen sprake van een strafrechtelijk bewijsbare zaak. De advocaat heeft contact gezocht met verzoeker die (nog) niet op de hoogte was van het sepotbericht. Dit is pas door tussenkomst van de advocaat kenbaar gemaakt. Verzoeker heeft de nodige kosten van rechtsbijstand moeten maken aangaande de strafbare verdenking ter hoogte van € 882,09. Voorts vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding aangaande het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer ter hoogte van € 680,00.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoekschrift gelet op de uitleg van de advocaat. De strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd, omdat het belang van strafrechtelijk ingrijpen te gering is geworden gelet op het lange tijdsverloop na het plegen van het strafbare feit. Uit het procesdossier maakt de officier van justitie op dat verzoeker staande is gehouden als bestuurder van een bromfiets te Roosendaal waarna, bij controle, bleek dat er nimmer een (geldig) rijbewijs aan verzoeker is afgegeven voor het besturen van een bromfiets. Verzoeker wilde geen verklaring afleggen. Daarom is de officier van justitie van mening dat het verzoekschrift afgewezen dient te worden nu er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 15 november 2023 kennelijk overgegaan tot een beleidssepot vanwege oud feit. Pas na tussenkomst van de advocaat is op 24 april 2024 aan verzoeker een kennisgeving sepot verstuurd. Bij een sepot kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan het proces-verbaal van overtreding waaruit volgt dat verzoeker op 2 januari 2021 te Roosendaal staande is gehouden als bestuurder van een bromfiets, omdat de identiteit van verzoeker is vastgesteld middels controlevragen. De enkele stelling van de raadsman dat het net zo goed om een kennis van verzoeker zou kunnen gaan, omdat verzoeker zijn bromfiets uitleende, is onvoldoende om de rechtbank te laten twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker de rechtsbijstandskosten aan zichzelf te wijten heeft gehad. Normaliter zou een dergelijke constatering moeten leiden tot integrale afwijzing van het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman onderbouwd de nodige kosten te hebben moeten maken namens verzoeker doordat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten verzoeker en zijn raadsman te informeren over de beslissing tot sepot. De rechtbank acht het dan ook billijk dat deze kosten in de periode van 10 tot en met 18 april 2024, groot € 228,70 (incl. btw), toegewezen worden. Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 908,70, bestaande uit:
- € 228,70 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 869,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van de Luijtgaarden Advocaten B.V., onder vermelding van “[kenmerk]”.
Deze beslissing is op 10 september 2024 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 2005,wonende te [woonadres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. M. Houweling, Bovendonk 11a, 4707 ZH Roosendaal
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 25 april 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 882,09, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 22 april 2024;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie en mr. M. Houweling als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat verzoeker werd verdacht van het rijden zonder rijbewijs op 2 januari 2021. Na een bericht vanuit de advocaat van verzoeker aan het Openbaar Ministerie heeft de advocaat per e-mailbericht van 18 april 2024 heeft de advocaat vernomen dat de zaak op 15 november 2023 is geseponeerd door de officier van justitie wegens ouderdom van de zaak. Volgens verzoeker is er geen sprake van een strafrechtelijk bewijsbare zaak. De advocaat heeft contact gezocht met verzoeker die (nog) niet op de hoogte was van het sepotbericht. Dit is pas door tussenkomst van de advocaat kenbaar gemaakt. Verzoeker heeft de nodige kosten van rechtsbijstand moeten maken aangaande de strafbare verdenking ter hoogte van € 882,09. Voorts vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding aangaande het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer ter hoogte van € 680,00.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoekschrift gelet op de uitleg van de advocaat. De strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd, omdat het belang van strafrechtelijk ingrijpen te gering is geworden gelet op het lange tijdsverloop na het plegen van het strafbare feit. Uit het procesdossier maakt de officier van justitie op dat verzoeker staande is gehouden als bestuurder van een bromfiets te Roosendaal waarna, bij controle, bleek dat er nimmer een (geldig) rijbewijs aan verzoeker is afgegeven voor het besturen van een bromfiets. Verzoeker wilde geen verklaring afleggen. Daarom is de officier van justitie van mening dat het verzoekschrift afgewezen dient te worden nu er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 15 november 2023 kennelijk overgegaan tot een beleidssepot vanwege oud feit. Pas na tussenkomst van de advocaat is op 24 april 2024 aan verzoeker een kennisgeving sepot verstuurd. Bij een sepot kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan het proces-verbaal van overtreding waaruit volgt dat verzoeker op 2 januari 2021 te Roosendaal staande is gehouden als bestuurder van een bromfiets, omdat de identiteit van verzoeker is vastgesteld middels controlevragen. De enkele stelling van de raadsman dat het net zo goed om een kennis van verzoeker zou kunnen gaan, omdat verzoeker zijn bromfiets uitleende, is onvoldoende om de rechtbank te laten twijfelen aan de bevindingen van de verbalisant. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker de rechtsbijstandskosten aan zichzelf te wijten heeft gehad. Normaliter zou een dergelijke constatering moeten leiden tot integrale afwijzing van het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman onderbouwd de nodige kosten te hebben moeten maken namens verzoeker doordat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten verzoeker en zijn raadsman te informeren over de beslissing tot sepot. De rechtbank acht het dan ook billijk dat deze kosten in de periode van 10 tot en met 18 april 2024, groot € 228,70 (incl. btw), toegewezen worden. Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 908,70, bestaande uit:
- € 228,70 aan kosten van rechtsbijstand;
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 869,00 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Van de Luijtgaarden Advocaten B.V., onder vermelding van “[kenmerk]”.
Deze beslissing is op 10 september 2024 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.