Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-10
ECLI:NL:RBZWB:2024:6307
Strafrecht
Raadkamer
2,858 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1968,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J. van Wijk, Hoogstraat 122, 5600 AA Eindhoven
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 11 maart 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 3.429,19, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 15 december 2023;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie en mr. J.A.R. van de Velde als gemachtigd, waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat hij, bij schrijven van de officier van justitie d.d. 15 december 2023, is geseponeerd van enige verdere strafrechtelijke vervolging. Verzoeker heeft de nodige kosten van rechtsbijstand gemaakt aangaande de strafrechtelijke verdenking en wenst deze vergoed te zien. De totale kosten bedragen € 3.429,19. Daarnaast vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding aangaande het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer ter hoogte van € 680,00. In raadkamer heeft de gemachtigde, waarnemend advocaat van verzoeker, de bijzondere omstandigheden en daarbij behorende werkzaamheden nader onderbouwd. Voorts is verzocht de gevorderde reiskosten zoals gefactureerd te verlagen naar het bedrag van € 32,91 (€ 0,28 per km.).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kosten van rechtsbijstand sterk gematigd dienen te worden. Er is zeer veel tijd besteed aan dossier studie en bijkomende werkzaamheden aan een eenvoudige strafzaak met een dossier van niet meer dan 55 pagina’s. Gelet hierop staan de gevraagde kosten niet in verhouding met de verrichte werkzaamheden in een, op het oog, eenvoudige strafzaak. Van bijzondere omstandigheden lijkt geen sprake en de officier van justitie is dan ook van mening dat de gevraagde vergoeding, naar billijkheid gehalveerd dient te worden. Voorts is de advocaat bij de berekende reiskosten uitgegaan van een km-tarief van € 0,37 terwijl de wettelijke vergoeding vastgesteld is op € 0,28 per km.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 3.420,91 is in raadkamer voldoende mate onderbouwd gelet op de aangedragen bijzondere omstandigheden die bij deze strafzaak zijn komen kijken en komt de rechtbank aldus billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. De rechtbank houdt in het verzochte bedrag rekening met de verzochte reiskosten die vastgesteld zijn op € 32,91.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 4.100,91, bestaande uit:
- € 3.420,91 aan kosten van rechtsbijstand en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 4.100,91 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden, De Rooij Van Wijk Advocaten te Eindhoven onder vermelding van “[kenmerk]”.
Deze beslissing is op 10 september 2024 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1968,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J. van Wijk, Hoogstraat 122, 5600 AA Eindhoven
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 11 maart 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 van het Wetboek van strafvordering (Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 3.429,19, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 15 december 2023;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie en mr. J.A.R. van de Velde als gemachtigd, waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat hij, bij schrijven van de officier van justitie d.d. 15 december 2023, is geseponeerd van enige verdere strafrechtelijke vervolging. Verzoeker heeft de nodige kosten van rechtsbijstand gemaakt aangaande de strafrechtelijke verdenking en wenst deze vergoed te zien. De totale kosten bedragen € 3.429,19. Daarnaast vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding aangaande het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer ter hoogte van € 680,00. In raadkamer heeft de gemachtigde, waarnemend advocaat van verzoeker, de bijzondere omstandigheden en daarbij behorende werkzaamheden nader onderbouwd. Voorts is verzocht de gevorderde reiskosten zoals gefactureerd te verlagen naar het bedrag van € 32,91 (€ 0,28 per km.).
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kosten van rechtsbijstand sterk gematigd dienen te worden. Er is zeer veel tijd besteed aan dossier studie en bijkomende werkzaamheden aan een eenvoudige strafzaak met een dossier van niet meer dan 55 pagina’s. Gelet hierop staan de gevraagde kosten niet in verhouding met de verrichte werkzaamheden in een, op het oog, eenvoudige strafzaak. Van bijzondere omstandigheden lijkt geen sprake en de officier van justitie is dan ook van mening dat de gevraagde vergoeding, naar billijkheid gehalveerd dient te worden. Voorts is de advocaat bij de berekende reiskosten uitgegaan van een km-tarief van € 0,37 terwijl de wettelijke vergoeding vastgesteld is op € 0,28 per km.
Beoordeling
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 3.420,91 is in raadkamer voldoende mate onderbouwd gelet op de aangedragen bijzondere omstandigheden die bij deze strafzaak zijn komen kijken en komt de rechtbank aldus billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen. De rechtbank houdt in het verzochte bedrag rekening met de verzochte reiskosten die vastgesteld zijn op € 32,91.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 4.100,91, bestaande uit:
- € 3.420,91 aan kosten van rechtsbijstand en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van € 4.100,91 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden, De Rooij Van Wijk Advocaten te Eindhoven onder vermelding van “[kenmerk]”.
Deze beslissing is op 10 september 2024 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.