Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-11
ECLI:NL:RBZWB:2024:6271
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,366 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9564
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. T.G. van Laarhoven),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de beslissing van de inspecteur van 17 juli 2023.
1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de inspecteur van 17 juli 2023 en heeft daarbij de inspecteur verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechter. De inspecteur heeft ingestemd met het verzoek en heeft het bezwaarschrift doorgestuurd naar de rechtbank.
1.2.
Beide partijen hebben bij de rechtbank aangegeven een zitting niet nodig te vinden. De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom omdat de inspecteur niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de beschikking om geen dwangsom toe te kennen.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen dwangsom heeft toegekend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft een verzoek ingediend om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting 2020. Omdat niet tijdig op dat verzoek werd beslist, heeft belanghebbende de inspecteur bij brief van 11 oktober 2022 in gebreke gesteld en bij brief van 30 december 2022 verzocht om de verbeurde dwangsom bij beschikking vast te stellen. Bij beschikking van 11 januari 2023 heeft de inspecteur vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd. Bij brief van 12 januari 2023 heeft belanghebbende daartegen bezwaar gemaakt (het bezwaar).
3.1.
Bij brief van 31 maart 2023 heeft de inspecteur de termijn om op het bezwaar te beslissen met 6 weken verlengd. Bij brief van 17 mei 2023 (ontvangen op 23 mei 2023) heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld voor wat betreft het niet tijdig beslissen op dat bezwaar. Bij beschikking van 17 juli 2023 is het bezwaar gegrond verklaard, is een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering vastgesteld en is vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 12 januari 2023. Tegen dat laatste besluit (het besluit) is het beroep gericht.
3.2.
Met instemming van de inspecteur heeft belanghebbende tegen het besluit rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
Motivering
4. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:906) volgt dat een ingebrekestelling niet het karakter heeft van een verzoek aan de inspecteur om een (dwangsom)besluit te nemen. De ingebrekestelling van 11 oktober kan daarom niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het dwangsombesluit van 11 januari 2023 is dan ook geen beschikking op aanvraag in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, zodat de inspecteur niet een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen ervan.
4.1
In lijn met het voornoemde arrest moet worden geoordeeld dat de inspecteur ook geen dwangsom verbeurt bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. Dat is vaste jurisprudentie van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep, en de rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken.
Conclusie
5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug en zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 11 september 2024, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4448, CRvB 4 mei 2017,
ECLI:NL:CRVB:2017:1815 en 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:307.