Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-09-04
ECLI:NL:RBZWB:2024:6198
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6143
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 september 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Milieuvereniging Oosterhout, uit Oosterhout, verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Hörchner),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek van verzoekster om wijziging van een door de rechtbank op 2 juli 2024 getroffen voorlopige voorziening.
1.1.
Met de uitspraak van 2 juli 2024 heeft de rechtbank het verkeersbesluit van het college van 7 november 2023 geschorst, tot twee weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekster tegen dat verkeersbesluit.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [naam 1] namens verzoekster, en mr. G. Şeker, ing. [naam 2] en ing. [naam 3] namens het college.
1.3.
Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
3. Het verzoek tot het wijzigen van de getroffen voorziening tot schorsing van het besluit van 7 november 2023 door daar een dwangsom aan te verbinden, wijst de voorzieningenrechter af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Die voorziening is getroffen tot twee weken na bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar. Die nieuwe beslissing op bezwaar is bekendgemaakt op 23 augustus 2024, dat blijkt ook uit het e-mailbericht waarin pro forma beroep is ingesteld, dus die voorziening eindigt overmorgen. Voor de tussenliggende periode ontbreekt spoedeisend belang om daar al dan niet nog een dwangsom aan te verbinden. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat niet evident is dat er werkzaamheden worden uitgevoerd die in strijd zijn met de schorsing van het besluit van 7 november 2023. Het verzoek om aan de bestaande schorsing een dwangsom te verbinden wordt dus afgewezen.
4. Het andere verzoek is het verzoek tot wijziging van de getroffen voorziening door deze schorsing te verlengen tot het einde van de beroepsprocedure. Er is geen grondslag om die schorsing te verlengen. Verzoekster heeft gesteld dat die grondslag is dat uitvoering wordt gegeven aan het verkeersbesluit en dat daarin de grond voor verdere schorsing zou moeten liggen. Om dat verkeersbesluit langer te schorsen is nodig dat er twijfel is aan de juistheid van het verkeersbesluit, inclusief de aanvulling daarop in de nieuwe beslissing op bezwaar. Aan de inhoud van die besluiten moet er twijfel zijn. De juistheid van die nieuwe beslissing op bezwaar moet worden beoordeeld in een eventueel beroep en niet in dit verzoek om de eerdere voorziening in duur te verlengen. Ook dit verzoek wordt daarom afgewezen. Omdat de voorziening wordt afgewezen komt de voorzieningenrechter ook niet toe aan het al dan niet opleggen van een dwangsom of het treffen van een ordemaatregel.
Conclusie
5. Dat betekent samengevat dat de verzoeken worden afgewezen. Er wordt dus ook geen proceskostenvergoeding toegekend en het college wordt ook niet veroordeeld tot betaling van het griffierecht.
6. De voorzieningenrechter wijst erop dat er tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat, omdat het om een uitspraak in een voorlopige voorziening gaat.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2024 door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.