Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-29
ECLI:NL:RBZWB:2024:6089
Bestuursrecht
Wraking
3,520 tokens
Procesverloop
Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de hoofdzaken met nummers BRE 23/8881 WET en BRE 24/1164 AVG,
het wrakingsverzoek van 27 augustus 2024,
het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 28 augustus 2024 waaruit blijkt dat hij niet in de wraking berust.
2Het verzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Peters (hierna: de rechter), optredend als bestuursrechter in de bovengenoemde hoofdzaken. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 27 augustus 2024.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3De gronden van het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft eerder tegen de rechter een wrakingsverzoek en een klacht ingediend. Het eerdere wrakingsverzoek is op 1 augustus 2024 door de wrakingskamer kennelijk ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2024:5386). De klacht is op 19 augustus 2024 door de president van de rechtbank ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de beslissing op de klacht heeft verzoeker dit tweede wrakingsverzoek ingediend. In die beslissing staat dat de rechter door tussenkomst van de griffier aan de verwerende partijen heeft gevraagd of kon worden ingestemd met het verzoek van verzoeker om telefonisch aan de zitting in de hoofdzaken deel te nemen. Volgens verzoeker heeft de rechter hierdoor de schijn van partijdigheid gewekt, omdat de wederpartij niet in zijn verzoek betrokken hoort te worden.
Beoordeling
4.1
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling
4.3
De vraag van de rechter aan verweerders in de hoofdzaken of ermee kon worden ingestemd dat verzoeker telefonisch zou worden gehoord is, zo begrijpt de wrakingskamer, gesteld ter voorbereiding op de nog te nemen beslissing over de wijze waarop de zitting zou plaatsvinden. Een dergelijke beslissing betreft een procesbeslissing. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing, de vraag of al dan niet hoor en wederhoor correct is toegepast daaronder begrepen. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.
4.4
Alleen als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak niet gebleken. Uit de enkele omstandigheid dat verweerders in de hoofdzaken ook om een mening is gevraagd over de wijze waarop de zitting zou plaatsvinden, kan namelijk niet worden afgeleid dat die mening doorslaggevend zou zijn voor de vraag of het verzoek van verzoeker al dan niet zou zijn toegewezen.
4.5
De wrakingskamer is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook kennelijk ongegrond verklaren. Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
4.6
Dit verzoek betreft het tweede wrakingsverzoek van verzoeker in dezelfde hoofdzaken, dat bovendien verband houdt met dezelfde procesbeslissing. In de beslissing van de wrakingskamer op het eerdere wrakingsverzoek is al uiteen gezet dat een procesbeslissing in beginsel geen grond voor wraking kan vormen. Daarnaast stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker ook nog een klacht tegen de rechter heeft ingediend, zonder eerst de uitkomst van het wrakingsverzoek af te wachten. Gelet op deze omstandigheden maakt verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer misbruik van het instrument van wraking. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaken met nummers BRE 23/8881 WET en BRE 24/1164 AVG zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in het kader van deze hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen op 29 augustus 2024 door mr. Van Kralingen, rechter en voorzitter, en mr. Römers en mr. Leppens, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Procesverloop
Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de hoofdzaken met nummers BRE 23/8881 WET en BRE 24/1164 AVG,
het wrakingsverzoek van 27 augustus 2024,
het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 28 augustus 2024 waaruit blijkt dat hij niet in de wraking berust.
2Het verzoek
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Peters (hierna: de rechter), optredend als bestuursrechter in de bovengenoemde hoofdzaken. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 27 augustus 2024.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3De gronden van het wrakingsverzoek
Verzoeker heeft eerder tegen de rechter een wrakingsverzoek en een klacht ingediend. Het eerdere wrakingsverzoek is op 1 augustus 2024 door de wrakingskamer kennelijk ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2024:5386). De klacht is op 19 augustus 2024 door de president van de rechtbank ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de beslissing op de klacht heeft verzoeker dit tweede wrakingsverzoek ingediend. In die beslissing staat dat de rechter door tussenkomst van de griffier aan de verwerende partijen heeft gevraagd of kon worden ingestemd met het verzoek van verzoeker om telefonisch aan de zitting in de hoofdzaken deel te nemen. Volgens verzoeker heeft de rechter hierdoor de schijn van partijdigheid gewekt, omdat de wederpartij niet in zijn verzoek betrokken hoort te worden.
Beoordeling
4.1
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling
4.3
De vraag van de rechter aan verweerders in de hoofdzaken of ermee kon worden ingestemd dat verzoeker telefonisch zou worden gehoord is, zo begrijpt de wrakingskamer, gesteld ter voorbereiding op de nog te nemen beslissing over de wijze waarop de zitting zou plaatsvinden. Een dergelijke beslissing betreft een procesbeslissing. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing, de vraag of al dan niet hoor en wederhoor correct is toegepast daaronder begrepen. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.
4.4
Alleen als een procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in deze zaak niet gebleken. Uit de enkele omstandigheid dat verweerders in de hoofdzaken ook om een mening is gevraagd over de wijze waarop de zitting zou plaatsvinden, kan namelijk niet worden afgeleid dat die mening doorslaggevend zou zijn voor de vraag of het verzoek van verzoeker al dan niet zou zijn toegewezen.
4.5
De wrakingskamer is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. De wrakingskamer zal het verzoek dan ook kennelijk ongegrond verklaren. Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
4.6
Dit verzoek betreft het tweede wrakingsverzoek van verzoeker in dezelfde hoofdzaken, dat bovendien verband houdt met dezelfde procesbeslissing. In de beslissing van de wrakingskamer op het eerdere wrakingsverzoek is al uiteen gezet dat een procesbeslissing in beginsel geen grond voor wraking kan vormen. Daarnaast stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker ook nog een klacht tegen de rechter heeft ingediend, zonder eerst de uitkomst van het wrakingsverzoek af te wachten. Gelet op deze omstandigheden maakt verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer misbruik van het instrument van wraking. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaken met nummers BRE 23/8881 WET en BRE 24/1164 AVG zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in het kader van deze hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen op 29 augustus 2024 door mr. Van Kralingen, rechter en voorzitter, en mr. Römers en mr. Leppens, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.