Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-21
ECLI:NL:RBZWB:2024:5972
Civiel recht
Bodemzaak
739 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/422456 / HA ZA 24-255
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. [eiser 2],
wonende te [plaats 1] ,
eisers,
advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1] BV,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde,
niet verschenen,
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats 3] ,
gedaagde,
advocaat mr. L.R.G.M. Spronken te 's-Hertogenbosch.
Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. het tussenvonnis in deze zaak van 24 juli 2024 met de daarin genoemde processtukken;
b. de akte uitlatingen van [eisers] van 7 augustus 2024;
c. de akte uitlatingen van [gedaagden] van 7 augustus 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van [eisers] naar haar voorlopig oordeel een onderwerp betreft dat op grond van artikel 93 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de kantonrechter wordt behandeld, ongeacht het belang.
2.2.
Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam.
2.3.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam. Nu [eisers] hun vordering niet hebben ingediend bij de kamer voor kantonzaken te Rotterdam, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv ambtshalve verwijzen.
Dictum
De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Rotterdam, kamer voor kantonzaken, locatie Rotterdam, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen verder te procederen;
3.2.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.3.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
type: LvV
coll: