Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-21
ECLI:NL:RBZWB:2024:5923
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,554 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 10748347 \ CV EXPL 23-3085
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
[eiser] VOF,
gevestigd in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R. van Dijk,
tegen
ENGNR. TECHNICAL B.V.,
gevestigd in Bosschenhoofd,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ENGNR,
gemachtigde: mr. J.M. de Koning.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 mei 2024 met de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlating van [eiser] van 12 juni 2024;
- de antwoordakte van ENGNR van 10 juli 2024.
2De verdere beoordeling
2.1.
In het tussenvonnis van 15 mei 2024 heeft de kantonrechter een bewijsopdracht gegeven aan [eiser] . [eiser] kreeg de opdracht te bewijzen dat:
1) ENGNR per e-mail ingestemd heeft met de animatievideo en het servicepakket ‘Zilver’; en
2) [eiser] in opdracht van [naam 1] eerder aanpassingen doorgevoerd heeft aan de website en daar ook voor betaald kreeg en [naam 2] samen met [naam 1] aanwezig was tijdens een gesprek over de animatievideo voordat akkoord gegeven werd voor het maken van de animatievideo; en
3) [eiser] de definitieve versie van de animatievideo via WeTransfer aan ENGNR verzonden heeft.
Daarbij is expliciet overwogen dat [eiser] aan alle onderdelen van deze bewijsopdracht moet voldoen voor toewijzing van haar vorderingen.
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die [eiser] bij haar laatste akte overgelegd heeft niet blijkt dat [naam 2] samen met [naam 1] aanwezig was tijdens een gesprek over de animatievideo voordat akkoord gegeven werd voor het maken van de animatievideo (onderdeel 2, tweede gedeelte, van de bewijsopdracht). Uit het e-mailbericht van 2 mei 2022 kan worden afgeleid dat er een uitnodiging voor een bespreking verstuurd is aan [naam 2] en [naam 1]. Dat deze bespreking vervolgens daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat de animatievideo toen in het bijzijn van [naam 2] besproken is, volgt daar echter niet uit. Daar komt bij dat het onderwerp van het e-mailbericht ‘Filmproductie: ENGNR’ is. Tijdens de mondelinge behandeling is door partijen toegelicht dat [eiser] in opdracht van ENGNR een ‘livevideo’ zou maken. Daarom kan niet worden uitgesloten dat de uitnodiging voor de bespreking enkel zag op het bespreken van deze ‘livevideo’ en niet op het bespreken van de animatievideo. Verder stelt [eiser] in haar akte dat [naam 2] ‘in de cc wordt meegenomen’ in al haar correspondentie, maar kan dit niet worden afgeleid uit de overgelegde stukken. Daarin komt slechts de naam van [naam 1] voor. [naam 2] is wel betrokken bij de e-mailcorrespondentie in oktober 2022, maar toen was de factuur voor de animatievideo al verzonden (op 9 september 2022, vgl. r.o. 2.5 van het tussenvonnis van 15 mei 2024).
2.3.
Omdat [eiser] niet heeft aangeboden het bewijs op een andere manier te leveren, bijvoorbeeld door middel van het horen van getuigen, zal [eiser] niet tot nadere bewijslevering worden toegelaten.
2.4.
Onder de streep betekent dit dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Zij moest immers aan alle onderdelen van de bewijsopdracht voldoen en heeft dit niet gedaan. Of [eiser] op de overige punten het bewijs (wel) geleverd heeft, kan daarmee in het midden blijven.
Proceskosten
2.5.
[eiser] is de partij die in het ongelijk wordt gesteld. Zij zal daarom in de proceskosten, inclusief de nakosten, worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van ENGNR worden vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
€
847,50
(2,5 punt × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
982,50
2.6.
Verder zal [eiser] worden veroordeeld in de wettelijke rente over de proceskosten zoals vermeld in de beslissing en zal de door ENGNR verzochte uitvoerbaar bij voorraad verklaring worden toegewezen. [eiser] heeft zich daartegen niet verzet.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten ter hoogte van € 982,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roose en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.