Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-30
ECLI:NL:RBZWB:2024:5879
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10443940 \ MB VERZ 23-487
CJIB-nummer : 0062 5422 4820 1821
uitspraakdatum : 30 juli 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 november 2023. De kantonrechter heeft de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal over te leggen.
De zaak is behandeld op de zitting van 30 juli 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. I.M.E. van der Meijden (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens gemachtigde is dhr. [naam] verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een parkeergelegenheid, terwijl voertuig niet tot aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde op de Roelof Kranenburgplein te Tilburg op 18 maart 2022 om 14:08 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt netjes geparkeerd te hebben en niet op een invalide parkeerplek of op de stoep. Gemachtigde voert aan dat uit de verklaring van de verbalisant onvoldoende blijkt waarom er geen reële mogelijkheid voor staandehouding was en benoemt meerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Gemachtigde verzoekt om het beroep gegrond te verklaren de proceskosten toe te wijzen.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat hij een brief heeft ontvangen van het CVOM dat er geen aanvullend proces-verbaal mogelijk was.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting aangevoerd dat haar dossier een aanvullend proces-verbaal van 18 januari 2024 bevat. De zittingsvertegenwoordiger refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter heeft op de eerste zitting de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen binnen 8 weken een aanvullend proces-verbaal over te leggen waarin de verbalisant uitgebreid ingaat op de onopvallende postactie en waarom hierdoor geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Van deze gelegenheid heeft de officier van justitie geen gebruik gemaakt. Noch de kantonrechter, noch de gemachtigde heeft een aanvullend proces-verbaal ontvangen. Ter zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger gesteld dat er wel een aanvullend proces-verbaal in haar dossier zit, maar de kantonrechter acht het in strijd met de goede procesorde om dit stuk alsnog aan het dossier toe te voegen.
Nu een aanvullend proces-verbaal ontbreekt is de twijfel die er bij de kantonrechter was die de zaak heeft aangehouden niet weggenomen. De kantonrechter kan niet vaststellen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard en de bestreden beslissing moet worden vernietigd.
Proceskostenvergoeding
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- = € 437,50
totaal € 875,00
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: