Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-22
ECLI:NL:RBZWB:2024:5859
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,362 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/192
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende
(gemachtigde: [naam] ),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 december 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 25 februari 2022 de waarde van de onroerende zaken [adres 1] te [plaats 2] en [adres 2] te [plaats 3] (de onroerende zaken) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op respectievelijk € 863.000 en € 616.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling zijn aan belanghebbende ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslagen).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende bij uitspraak op bezwaar van 2 december 2022 gegrond verklaard. Daarbij heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van onroerende zaak [adres 1] te [plaats 2] verlaagd tot € 855.000 en de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres 2] te [plaats 3] verlaagd naar € 1.139.000. Aan belanghebbende is daarbij een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van in totaal € 1.338. Hiervan is een vergoeding van € 800 (8 uren tegen een uurtarief van € 100) toegekend voor het opstellen van twee taxatierapporten met betrekking tot de onroerende zaken.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank per brief van 12 juli 2024 het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaken. De onroerende zaak [adres 1] te [plaats 2] is een tankstation met een oppervlakte van in totaal 5.165 m2. De onroerende zaak [adres 2] te [plaats 3] is een tankstation met een oppervlakte van 6.500 m3.
Beoordeling
3. De rechtbank stelt voorop dat de WOZ-waarden en de aanslagen onroerendezaakbelastingen niet in geschil zijn.
4. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoeding voor de taxatierapporten dan bij de uitspraak op bezwaar aan haar is toegekend. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4.1.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar een te laag bedrag aan kostenvergoeding voor het door haar overgelegde taxatierapport heeft toegekend. Volgens belanghebbende dient de kostenvergoeding per taxatierapport € 692,20 te bedragen, zijnde 4 uren tegen een uurtarief van € 130 plus 21% omzetbelasting. In totaal dient de kostenvergoeding voor de twee taxatierapporten dan € 1.384,40 te bedragen. Ter onderbouwing voert belanghebbende aan dat de onroerende zaken incourante niet-woningen zijn waardoor specialistische kennis is vereist. Verder voert zij aan dat het uurtarief niet het maximum van de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding proceskosten bij WOZ-taxaties overschrijdt.
4.2.
Voor de tarieven van de vergoeding voor getuigen en deskundigen wordt op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aangesloten bij het forfaitaire tarief van de Wet tarieven in strafzaken.
4.3.
Artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts) bepaalt dat het uurtarief maximaal € 136,19 bedraagt naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzonder aard zijn. Daarbij moet in het geval van de vergoeding voor een taxatierapport worden gekeken naar de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naar mate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking als het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is.
4.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van een hoger uurtarief dan de reeds toegekende € 100 per uur. Daartoe overweegt de rechtbank dat het toegekende uurtarief al aanzienlijk hoger ligt dan het tarief van € 68 zoals dat is bepaald voor courante niet-woningen in de richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties. De rechtbank overweegt dat een tankstation een bijzondere onroerende zaak is en geen courante niet-woning, waardoor naar het oordeel van de rechtbank terecht een hoger uurtarief dan € 68 is toegekend. De rechtbank acht de taxatie van de onroerende zaken daarentegen niet dermate complex dat een vergoeding van meer dan € 100 per uur dient te worden toegekend. De rechtbank overweegt daartoe dat er meerdere vergelijkbare tankstations bestaan, waardoor er voldoende gegevens beschikbaar zijn die kunnen helpen bij de bepaling van de waarde van de onderhavige onroerende zaken. Belanghebbende heeft niet nader onderbouwd waarom de aard van de onroerende zaken zó complex is dat een hoger tarief moet worden toegekend. Tenslotte heeft belanghebbende geen facturen van de opgemaakte taxatierapporten overgelegd, waardoor de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen of de belanghebbende voor het opstellen van de taxatierapporten daadwerkelijk kosten heeft gemaakt die hoger liggen dan de toegekende € 800.
4.5.
Voor wat betreft de vergoeding van de omzetbelasting over het toegekende uurtarief overweegt de rechtbank dat terecht aan belanghebbende nettobedragen zijn vergoed zonder de berekening van omzetbelasting daarover. De omzetbelasting komt namelijk enkel voor vergoeding in aanmerking indien deze op belanghebbende drukt. De rechtbank acht het in dit geval aannemelijk dat belanghebbende de omzetbelasting als voorbelasting in aftrek kan brengen, waardoor deze niet op haar drukt.
Motivering
4.6.
Belanghebbende heeft in de bezwaarfase – gelijk aan haar standpunt in de beroepsfase – verzocht om toekenning van een kostenvergoeding per taxatierapport van € 692,20. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende mede op als een klacht inhoudende dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet heeft gemotiveerd waarom hij van het door belanghebbende verzochte bedrag aan kostenvergoeding is afgeweken. En die klacht is terecht. Pas in de beroepsfase heeft hij voor het eerst een motivering gegeven voor het aangepaste bedrag van € 400 per taxatierapport. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een schending van het motiveringsbeginsel. Deze schending van het motiveringsbeginsel leidt op zichzelf niet direct tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar en is van dien aard dat terugwijzing niet aangewezen is, maar kan ook niet geheel zonder gevolgen blijven gelet op de mate van zorgvuldigheid die een heffingsambtenaar heeft te betrachten. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 te vergoeden.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een hoger bedrag aan kostenvergoeding dan aan haar bij de uitspraak op bezwaar is toegekend.
5.1.
Omdat sprake is van een gebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Voor vergoeding van de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier op 22 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsversie van 18 juni 2022.
Vgl. Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0904.
Vgl. Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:BX0904.
Artikel 6:22 Awb.