Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-09
ECLI:NL:RBZWB:2024:5497
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,986 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10884550 \ CV EXPL 24-237
Vonnis van 7 augustus 2024
in de zaak van
DE VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA [eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 februari 2024
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.976,14, vermeerderd met rente en kosten. Het gevorderde bedrag bestaat uit de volgende posten:
- € 2.962,35 aan hoofdsom;
- € 1.591,45 aan wettelijke handelsrente tot en met 15 december 2023;
- € 421,34 aan buitengerechtelijke incassokosten.
2.2.
[eiser] baseert haar vordering op nakoming van een verbintenis uit een handelsovereenkomst. [eiser] heeft in 2018 producten geleverd aan [gedaagde] en deze leveringen gefactureerd. [gedaagde] had destijds een eenmanszaak en handelde onder de naam [eenmanszaak] . Ondanks herhaaldelijke betalingsverzoeken, heeft [gedaagde] zes facturen deels onbetaald gelaten.
2.3.
[gedaagde] erkent de vordering. De reden dat de facturen niet zijn betaald, is dat [gedaagde] en zijn echtgenote gedupeerden zijn in de toeslagenaffaire. Zij hebben hiervoor ook erkenning gekregen en hebben hun schulden ingediend bij de Sociale Bank Nederland (hierna: SBN). Ook de schuld bij [eiser] is daar ingediend. De SBN geeft echter steeds aan dat de behandeling van de schuldenlijst langer duurt. [gedaagde] kan niets doen om dit proces te versnellen en wacht nog altijd op de afhandeling van de schuldenlijst door de SBN. Hij is ook niet in staat om zelf de schuld binnen een voor [eiser] redelijke termijn af te lossen.
2.4.
De kantonrechter overweegt als volgt.
2.5.
[eiser] heeft haar vordering tot betaling van de hoofdsom voldoende onderbouwd. Nu [gedaagde] de vordering erkent, wijst de kantonrechter deze vordering toe.
2.6.
[eiser] vordert ook € 1.591,45 aan wettelijke handelsrente tot en met 15 december 2023 en verwijst daarbij naar de berekening in productie 8 bij de dagvaarding. De kantonrechter is van oordeel dat deze berekening niet overeenkomt met artikel 6:119a, derde lid, Burgerlijk Wetboek (BW). Daarin is bepaald dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke handelsrente wordt berekend, wordt vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Dat is in de berekening van [eiser] niet gedaan. [eiser] komt wel in aanmerking voor wettelijke handelsrente, nu de hoofdsom wordt toegewezen en deze gebaseerd is op een vordering uit een handelsovereenkomst. De kantonrechter wijst dan ook de vordering in zoverre toe dat artikel 6:119a, lid 3 BW in acht wordt genomen.
2.7.
[eiser] komt verder in aanmerking voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het wettelijke tarief. Daarom wordt € 421,34 toegewezen.
2.8.
[eiser] vordert daarbij wettelijke handelsrente over het bedrag van € 4.976,14 vanaf 15 december 2023 tot de dag van algehele voldoening. Deze vordering wijst de kantonrechter in zoverre toe, dat wettelijke handelsrente wordt toegewezen over de hoofdsom. In het bedrag van € 4.976,14 zijn ook de buitengerechtelijke incassokosten opgenomen. Over die kosten kan geen wettelijke handelsrente toegewezen worden.
2.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
112,99
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2,00 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.285,99
2.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.11.
Overigens overweegt de kantonrechter nog het volgende. In deze zaak staat niet ter discussie dat [eiser] recht heeft op betaling van de facturen en zij daarop al jaren wacht. Tegelijkertijd staat ook niet ter discussie dat [gedaagde] wel de wil heeft om de facturen te betalen, maar hij de afhandeling van de toeslagenaffaire niet kan versnellen. De openstaande schuld bij [eiser] staat wel op de lijst bij de SBN om afgehandeld te worden. Gelet op deze omstandigheden, vertrouwt de kantonrechter er daarom op dat [eiser] niet over zal gaan op executiemaatregelen totdat er bericht komt van de SBN dat zij gaat uitkeren, indien deze uitkering binnen een redelijke termijn komt. Mogelijk kan toezending van een kopie van dit vonnis helpen om de uitkering door SBN, waarop partijen al lang wachten, te bespoedigen.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.962,35, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de onbetaalde factuurbedragen, vanaf de respectieve vervaldata van de facturen, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 421,34 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.285,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kool en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.