Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-08-09
ECLI:NL:RBZWB:2024:5365
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,778 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1058
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2024 op het verzet van
[belanghebbende] , te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2023 in het geding tussen
belanghebbende
en
De heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 15 september 2023 waarin de rechtbank het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet betalen van griffierecht. Het beroep ziet op de aanslag precariobelasting 2021 met aanslagnummer [nummer] .
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 26 juli 2024 op zitting behandeld. Belanghebbende is met mededeling aan de rechtbank niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 15 september 2023 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 15 september 2023
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het griffierecht niet (tijdig) is betaald en dat er geen redenen zijn om dat belanghebbende niet toe te rekenen.
Overwegingen
4. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de nota en herinneringsnota aangegeven het niet eens te zijn met het geheven griffierecht in deze procedure. Belanghebbende heeft bij brief 15 februari 2023 verzocht om vrijstelling van griffierecht, omdat hij van mening is dat er sprake is van samenhang met eerder ingediende procedures met zaaknummers BRE 21/4917 tot en met 21/4920, waarin griffierecht is betaald. De procedures zien allemaal op aanslagen van gemeentelijke belastingen over dezelfde periode. Aanvullende geeft belanghebbende als reden dat de heffingsambtenaar niet tijdig de nota’s (aanslagen) heeft toegestuurd, waardoor belanghebbende genoodzaakt is om apart een beroepschrift in te dienen. Het kan dan niet van belanghebbende verwacht worden dat hij voor elke procedure opnieuw griffierecht moet betalen.
5. Bij brieven van 15 en 22 maart 2023 en bij aangetekende brief van 7 april 2023 is aan belanghebbende uitgelegd waarom griffierecht is verschuldigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van één beroepschrift tegen meerdere samenhangende uitspraken op bezwaar, maar dat het hier gaat om meerdere beroepschriften en dat belanghebbende voor deze procedure griffierecht is verschuldigd. Het verzoek van belanghebbende is dan ook afgewezen.
6. Bij aangetekende brief van 7 april 2023 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het griffierecht alsnog te betalen met een laatste termijn van zes weken na dagtekening van de eerder toegezonden herinneringsnota van 9 maart 2023. De enveloppe waarin de aangetekende brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen met de aantekening van PostNL ‘vertrokken’. Deze brief is verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven adres en uit het dossier is niet gebleken dat er een adreswijziging is doorgegeven. De brief is op 17 april 2023 nogmaals per gewone post verzonden.
7. Belanghebbende heeft het griffierecht niet (tijdig) betaald en ook is niet gebleken van omstandigheden die het verzuim verschoonbaar maakt.
Beoordeling
8. De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de uitleg die aan belanghebbende is gegeven, dat het verzoek van belanghebbende terecht is afgewezen en er griffierecht is verschuldigd. Belanghebbende heeft geen redenen aangevoerd die het niet betalen van het griffierecht verschoonbaar maakt.
Conclusie
9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 15 september 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
9.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 9 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
De brief van 7 april 2023 is zowel per gewone post als per aangetekende post verzonden.