Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:5251
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,487 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10258271 \ MB VERZ 22-1145
CJIB-nummer : 0062 5422 4586 0530
uitspraakdatum : 25 juni 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 juni 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. D. Hoveijn (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. Namens betrokkene is verschenen de gemachtigde dhr. [gemachtigde]. De gemachtigde neemt waar voor mr. M. Lagas. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op 5 november 2021 op de Nieuwlandstraat te Tilburg.
De gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat hij niet de bestuurder van het voertuig was ten tijde van de gedraging. Hij had het voertuig bedrijfsmatig voor een periode korter dan drie maanden verhuurd aan een ander.
Ter zitting heeft de gemachtigde namens betrokkene hieraan toegevoegd dat de primaire grond gehandhaafd blijft. Hij heeft verzocht het beroepschrift gegrond te verklaren en de boete te verleggen. Dat de boete in de fase van administratief beroep niet is verlegd is te wijten aan de schuld van de gemachtigde, doordat de verzochte gegevens te laat zijn aangeleverd. De gegevens zijn nu wel overgelegd waardoor de bestuurder voldoende identificeerbaar is. Gelet op het feit dat de ongegrond-verklaring in de fase van administratief beroep te wijten is aan Appjection wordt in deze zaak geen proceskostenvergoeding verzocht. Subsidiair stelt de gemachtigde dat de bebording ter plaatse in strijd is met het Beleidskader. Vooraankondigingsborden dienen te voorkomen dat weggebruikers een fuik inrijden. Normaliter worden in dit soort gevallen aankondigingsborden geplaatst die aangeven dat er een voetgangersgebied volgt over een bepaald aantal meter. Volgens de gemachtigde is het is opvallend dat de gemeente ervoor heeft gekozen om borden te plaatsen die aangeven dat de weg doodlopend is tussen 11 en 6. Ook heeft de verplichte rijrichting ter plaatse voor verwarring gezorgd. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de gemeente de situatie weer heeft gewijzigd. Daarvoor verwijst hij naar een nieuwsartikel van het Brabants Dagblad van 30 oktober 2023. Om de situatie te verduidelijken is er nieuwe bebording geplaatst. Volgens de gemachtigde geeft de gemeente daarmee toe dat de situatie daarvoor nog steeds onduidelijk was voor de gemiddelde weggebruiker. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn is geschonden. Tot slot heeft de gemachtigde om proceskostenvergoeding verzocht.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet de bestuurder van het voertuig was en heeft voldoende identificeerbare gegevens aangeleverd, waardoor de boete dient te worden verlegd.
Overwegingen
Op grond van artikel 5 Wahv wordt, als niet direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is, de boete opgelegd aan de kentekenhouder.
Ingevolge artikel 8 Wahv is dat alleen dan anders indien de kentekenhouder
( a) niet heeft kunnen voorkomen dat een ander van het voertuig gebruik heeft gemaakt of
( b) een schriftelijke bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst van ten hoogste drie maanden met betrekking tot het voertuig overlegt of
( c) ten tijde van de gedraging niet meer de eigenaar van het voertuig was.
Betrokkene stelt dat het voertuig zou zijn verhuurd ten tijde van de gedraging. De kantonrechter begrijpt dat betrokkene hiermee een beroep doet op de uitzondering onder b (bedrijfsmatige verhuur). Betrokkene heeft die stelling voldoende onderbouwd door een geldige lease- of huurovereenkomst te overleggen. Daarmee staat vast dat die uitzondering zich heeft voorgedaan. De boete is dan ook ten onrechte aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald. Conform het ter zitting door de gemachtigde ingenomen standpunt zal geen proceskostenvergoeding worden toegekend.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,00 dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier K. Verdult, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: