Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-19
ECLI:NL:RBZWB:2024:5219
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,660 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/421710 / JE RK 24-746
Datum uitspraak: 19 juni 2024
Beschikking vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser,
betreffende de minderjarige
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: de GI,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.M.C. van Gorkum.
1Het procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- het namens de moeder op 11 april 2024 ingediende verzoek, met bijlagen.
1.2
Op 19 juni 2024 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling - met gesloten deuren - behandeld. Hierbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de advocaat van de moeder;
- de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Desgevraagd verklaren beide advocaten dat zij het verzoek met hun cliënt hebben besproken, dat die ervoor hebben gekozen niet bij de mondelinge behandeling te verschijnen en ermee instemmen dat hun advocaat het woord zal voeren.
Feiten
2.1
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3
[minderjarige] staat sinds 31 januari 2020 onder toezicht van de GI. Bij beschikking van 25 oktober 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor het laatst verlengd van 31 oktober 2023 tot 31 oktober 2024.
2.4
De GI heeft de moeder op 28 maart 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
U werkt samen met Jeugdbescherming Brabant en komt de met u gemaakte afspraken na.
U staat toe dat Jeugdbescherming Brabant huisbezoeken aan u en [minderjarige] brengt.
U staat toe dat de jeugdbeschermer gesprekjes voert met [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De moeder verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de schriftelijke aanwijzing van 28 maart 2024 betreffende [minderjarige] geheel dan wel gedeeltelijk vervallen zal worden verklaard.
4De standpunten
4.1
Ter aanvulling op het verzoek is tijdens de mondelinge behandeling namens de moeder - kort samengevat - aangevoerd dat er op 10 april 2024 een huisbezoek heeft plaatsgevonden waarbij de jeugdbeschermer ook met [minderjarige] heeft gesproken. Enkele weken later heeft de jeugdbeschermer nogmaals een huisbezoek afgelegd waarbij [minderjarige] niet aanwezig was. De moeder stelt zich op het standpunt dat er voldoende zicht is op haar thuissituatie. Zij is bereid om op regelmatige basis contact te hebben met de jeugdbeschermer. De moeder wil graag dat er voor [minderjarige] een vertrouwenspersoon beschikbaar komt in de persoon van de schoolmaatschappelijk werker. De advocaat handhaaft het verzoek om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.
4.2
De vertegenwoordigster van de GI, tevens de vaste jeugdbeschermer, bevestigt dat de twee huisbezoeken in de thuissituatie van de moeder hebben plaatsgevonden. Deze afspraken zijn goed verlopen en de jeugdbeschermer heeft ook met [minderjarige] kunnen spreken. Hiermee is het voornaamste doel van de schriftelijke aanwijzing bereikt. Het is de bedoeling om de komende maanden ongeveer één keer per vier weken een gesprek met de moeder te voeren. Daarbij kan de begeleider van Zorgbelang aanwezig zijn als de moeder dat fijn vindt. Het maakt voor de jeugdbeschermer niet uit of het gesprek op kantoor van de GI of bij de moeder thuis plaatsvindt. De jeugdbeschermer ziet geen verdere noodzaak om nogmaals met [minderjarige] te spreken. Wel vindt zij het van belang dat [minderjarige] met iemand kan praten, zoals een maatschappelijk werker van school.
Omdat de huisbezoeken bij de moeder hebben plaatsgevonden en de advocaat van de moeder heeft toegezegd dat zij de moeder zal ondersteunen bij de totstandkoming van de vervolggesprekken (waarbij de begeleider van Zorgbelang aanwezig mag zijn), is de schriftelijke aanwijzing niet langer nodig. De jeugdbeschermer trekt de schriftelijke aanwijzing dan ook in.
4.3
De advocaat van de vader geeft aan geen opmerkingen te hebben over de ingetrokken schriftelijke aanwijzing.
Beoordeling
5.1
Nu de GI de schriftelijke aanwijzing intrekt, is er geen belang meer bij een beoordeling van het verzoek tot vervallenverklaring van deze schriftelijke aanwijzing. Dit betekent dat het verzoek van de moeder zal worden afgewezen.
5.2
De kinderrechter vindt het positief dat het de afgelopen periode gelukt is om de huisbezoeken te laten plaatsvinden en dat de GI zowel de moeder als [minderjarige] in de thuissituatie heeft kunnen spreken. Duidelijk is dat de betrokkenheid van de advocaat van de moeder én van de begeleider van Zorgbelang meerwaarde hebben (gehad). De kinderrechter verwacht dat het met hun betrokkenheid ook de komende periode moet lukken om de benodigde gesprekken tussen de moeder en de jeugdbeschermer te laten plaatsvinden.
5.3
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1
wijst het verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Phillips, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024 in tegenwoordigheid van Baremans als griffier, en op 25 juni 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.