Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:5193
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,740 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10068308 CV EXPL 22-2168
Vonnis van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: ing. [gemachtigde] van [bedrijf] B.V. te [plaats 2]
tegen
ZWN DAKTECHNIEK B.V.,
te Tholen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ZWN,
gemachtigde: mr. E.P.M.J. Prop, advocaat te Bergen op Zoom.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 december 2023;
- de op 31 januari 2024 genomen akte van ZWN;- het proces-verbaal van het op 27 februari 2024 gehouden getuigenverhoor.
1.2.
Op laatstgenoemde zitting is vonnis bepaald op heden.
2De nadere beoordeling
2.1.
De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het op 6 december 2023 gewezen vonnis. Bij dat vonnis is ZWN toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat ZWN [eiser] , voorafgaand aan de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst op 9 december 2021, zonder enig voorbehoud heeft medegedeeld dat de dakkapellen vergunningvrij konden worden geplaatst en dat zij hem niet uitdrukkelijk heeft geadviseerd daaromtrent navraag te (laten) doen bij de gemeente.
2.2
Ter voldoening aan voormelde bewijsopdracht heeft ZWN [getuige] als getuige doen horen. [getuige] is de partner van [naam 1] , de bestuurder van ZWN.2.3 [getuige] heeft verklaard dat hij als adviseur werkzaam is binnen het bedrijf van ZWN, dat hij naar aanleiding van een offerteaanvraag bij [eiser] thuis is geweest om daar de situatie in ogenschouw te nemen en om de gewenste dakkapel in te meten, dat hij met [eiser] heeft besproken hoe deze het werk uitgevoerd wenste te zien en dat hij later, samen met enkele collega’s de plaatsingswerkzaamheden heeft verricht. [getuige] heeft verklaard dat hij bij zijn eerste bezoek aan de familie [eiser] eerst met de heer [eiser] naar de eerste en tweede verdieping van de woning is gegaan om de situatie te bekijken en dat hij daarna met de heer [eiser] naar beneden is gegaan om daar, in aanwezigheid van mevrouw [naam 2] , de wensen ten aanzien van de te gebruiken materialen en indeling van de ramen te bespreken. Ook heeft [getuige] verklaard dat hij altijd tegen klanten zegt dat er per gemeente grote verschillen zijn wat betreft de vraag of voor een bepaalde werkzaamheid wel of geen vergunning noodzakelijk is en dat hij altijd adviseert om contact op te nemen met de gemeente, bijvoorbeeld door te bellen, door een vooroverleg aan te vragen of door een website te bezoeken waar je, na het invullen van je postcode, vrij snel kunt zien of iets vergunningplichtig is. [getuige] heeft voorts verklaard dat de heer [eiser] hem, toen zij boven waren, heeft gevraagd of er voor de plaatsing van een dakkapel een vergunning nodig was, dat hij toen heeft geantwoord dat dat per gemeente anders kan zijn en dat hij de heer [eiser] erop heeft gewezen dat het van belang zou kunnen zijn wat de buren ervan zouden vinden omdat met het aanbrengen van deze extra dakkapel sprake zou kunnen zijn van inkijk in de achtertuin van de buren.
2.4
In contra-enquête heeft [eiser] als getuige verklaard dat het juist is dat hij, toen [getuige] voor het eerst de woning bezocht, samen met [getuige] naar boven is gegaan om hem te tonen waar welke werkzaamheden moesten worden uitgevoerd en dat ook juist is dat zij daarna naar beneden zijn gegaan en het gesprek hebben voortgezet in aanwezigheid van zijn echtgenote. De wensen ten aanzien van materiaalkeuze en indeling van de ramen zijn daar toen ter sprake gekomen. [eiser] heeft verklaard dat hij [getuige] boven heeft gevraagd of de plaatsing van dakkapellen vergunningsvrij mocht en dat [getuige] hem toen heeft gezegd dat dit vergunningsvrij mocht omdat het om een zijvlak van de woning ging, er geen zicht was op openbaar groen of op de openbare weg en dat het dan altijd vergunningvrij mocht worden uitgevoerd, zolang maar een afstand 50 cm van de nok en 50 cm van de zijkant van het dak zou worden gebleven. [eiser] heeft tot slot verklaard dat [getuige] hem niet heeft gezegd dat hij bij de gemeente moest informeren of het werk wel of niet vergunningvrij mocht worden uitgevoerd omdat dit per gemeente zou verschillen.
2.5
Zoals onder 2.1 vermeld is aan ZWN tegenbewijs opgedragen. Tegenbewijs houdt in het bewijzen van feiten of omstandigheden die het voorshands bewezen geachte feit toch onaannemelijk maken of uitsluiten.
2.6
De kantonrechter is van oordeel dat ZWN niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. Daartoe overweegt hij het navolgende.
2.7
Vaak kan niet onomstotelijk worden vastgesteld of een te bewijzen opgedragen feit zich wel of niet heeft voorgedaan. In het civiele recht is dat ook niet vereist; een redelijke mate van zekerheid volstaat. Als algemene regel kan worden aangenomen dat een feit voor de civiele rechter is bewezen wanneer uit de beschikbare bewijsmiddelen redelijkerwijs kan worden afgeleid dat het feit zich heeft voorgedaan, en uit die bewijsmiddelen níet even goed kan worden afgeleid dat hetgeen de wederpartij met betrekking tot dat feit stelt, zich heeft voorgedaan, terwijl zich evenmin de situatie voordoet dat bewijsmateriaal ontbreekt dat redelijkerwijs verwacht mocht worden. Het bewijsoordeel komt dan tot stand door al het bewijsmateriaal te betrekken in de beantwoording van de vraag of het opgedragen bewijs is geleverd.
2.8
In veel gevallen zal bij die beoordeling het getuigenbewijs centraal staan. De mate van geloofwaardigheid van een getuigenverklaring moet dan worden gezocht in de inhoud van de verklaring zelf, in combinatie met andere bewijsmiddelen (of juist het ontbreken daarvan). In het algemeen geldt dat een getuigenverklaring als minder geloofwaardig moet worden beschouwd als (i) de verklaring niet valt te rijmen met andere informatie die in het dossier beschikbaar is, zoals overgelegde stukken, brieven, e-mails, whatsappconversaties en dergelijke, en de getuige daarvoor geen plausibele verklaring heeft kunnen geven (ii) de getuige bij doorvragen weinig details kan vermelden en (iii) de getuige een ingestudeerd verhaal vertelt waaraan hij geen details toevoegt en waaraan hij bij doorvragen niets verandert. Het begrip geloofwaardigheid moet daarbij worden onderscheiden van het begrip betrouwbaarheid, met name omdat ook een betrouwbare getuige ongeloofwaardige verklaringen kan afleggen. Een eerlijke en oprechte, betrouwbare getuige kan namelijk onjuiste herinneringen hebben aan wat hij heeft meegemaakt, ook al put hij zelfverzekerd en gedetailleerd uit zijn geheugen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat hij zich niet realiseert dat zijn herinnering is gekleurd door later door hem ontvangen informatie. Stelligheid is daardoor geen graadmeter voor de geloofwaardigheid van een verklaring: het is slechts een eigenschap van de getuige zelf. Terughoudendheid is ook op zijn plaats bij de beoordeling van de consistentie van een verklaring: het enkele feit dat een getuige in de loop van het verhoor onderdelen van zijn verklaring wijzigt, maakt de verklaring op zichzelf nog niet ongeloofwaardig. Bovendien moet de mogelijkheid sterk worden gerelativeerd om tijdens het getuigenverhoor op basis van non-verbale communicatie te beoordelen of aan een getuigenverklaring moet worden getwijfeld.
2.9
In het onderhavige geval heeft de kantonrechter geen enkele reden te twijfelen aan de oprechtheid van de [getuige] . Wel is hij van oordeel dat deze getuige ook bij doorvragen te weinig details kon vermelden die maken dat voldoende aannemelijk is dat hij [eiser] – die zulks onder ede betwist – daadwerkelijk heeft geadviseerd om contact op te nemen met de gemeente om na te vragen of de door [eiser] gewenste dakkapellen vergunningvrij zouden mogen worden geplaatst. De enkele opmerking van de getuige dat hij klanten altijd adviseert navraag te doen bij de gemeente is naar het oordeel van de kantonrechter te weinig specifiek. De kantonrechter acht ZWN niet is geslaagd in het te leveren tegenbewijs als bedoeld in overweging 2.1. Het voorshands bewezen geachte feit is dus niet ontzenuwd en dat betekent dat het er in rechte voor moet worden gehouden dat ZWN haar waarschuwingsplicht heeft verzaakt.
Dictum
De kantonrechter
veroordeelt ZWN om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de som van € 22.768,00,
veroordeelt ZWN in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 1.971,06. Als ZWN niet tijdig aan voormelde veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet ZWN € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10068308 CV EXPL 22-2168
Vonnis van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: ing. [gemachtigde] van [bedrijf] B.V. te [plaats 2]
tegen
ZWN DAKTECHNIEK B.V.,
te Tholen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ZWN,
gemachtigde: mr. E.P.M.J. Prop, advocaat te Bergen op Zoom.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 december 2023;
- de op 31 januari 2024 genomen akte van ZWN;- het proces-verbaal van het op 27 februari 2024 gehouden getuigenverhoor.
1.2.
Op laatstgenoemde zitting is vonnis bepaald op heden.
2De nadere beoordeling
2.1.
De kantonrechter volhardt bij de inhoud van het op 6 december 2023 gewezen vonnis. Bij dat vonnis is ZWN toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat ZWN [eiser] , voorafgaand aan de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst op 9 december 2021, zonder enig voorbehoud heeft medegedeeld dat de dakkapellen vergunningvrij konden worden geplaatst en dat zij hem niet uitdrukkelijk heeft geadviseerd daaromtrent navraag te (laten) doen bij de gemeente.
2.2
Ter voldoening aan voormelde bewijsopdracht heeft ZWN [getuige] als getuige doen horen. [getuige] is de partner van [naam 1] , de bestuurder van ZWN.2.3 [getuige] heeft verklaard dat hij als adviseur werkzaam is binnen het bedrijf van ZWN, dat hij naar aanleiding van een offerteaanvraag bij [eiser] thuis is geweest om daar de situatie in ogenschouw te nemen en om de gewenste dakkapel in te meten, dat hij met [eiser] heeft besproken hoe deze het werk uitgevoerd wenste te zien en dat hij later, samen met enkele collega’s de plaatsingswerkzaamheden heeft verricht. [getuige] heeft verklaard dat hij bij zijn eerste bezoek aan de familie [eiser] eerst met de heer [eiser] naar de eerste en tweede verdieping van de woning is gegaan om de situatie te bekijken en dat hij daarna met de heer [eiser] naar beneden is gegaan om daar, in aanwezigheid van mevrouw [naam 2] , de wensen ten aanzien van de te gebruiken materialen en indeling van de ramen te bespreken. Ook heeft [getuige] verklaard dat hij altijd tegen klanten zegt dat er per gemeente grote verschillen zijn wat betreft de vraag of voor een bepaalde werkzaamheid wel of geen vergunning noodzakelijk is en dat hij altijd adviseert om contact op te nemen met de gemeente, bijvoorbeeld door te bellen, door een vooroverleg aan te vragen of door een website te bezoeken waar je, na het invullen van je postcode, vrij snel kunt zien of iets vergunningplichtig is. [getuige] heeft voorts verklaard dat de heer [eiser] hem, toen zij boven waren, heeft gevraagd of er voor de plaatsing van een dakkapel een vergunning nodig was, dat hij toen heeft geantwoord dat dat per gemeente anders kan zijn en dat hij de heer [eiser] erop heeft gewezen dat het van belang zou kunnen zijn wat de buren ervan zouden vinden omdat met het aanbrengen van deze extra dakkapel sprake zou kunnen zijn van inkijk in de achtertuin van de buren.
2.4
In contra-enquête heeft [eiser] als getuige verklaard dat het juist is dat hij, toen [getuige] voor het eerst de woning bezocht, samen met [getuige] naar boven is gegaan om hem te tonen waar welke werkzaamheden moesten worden uitgevoerd en dat ook juist is dat zij daarna naar beneden zijn gegaan en het gesprek hebben voortgezet in aanwezigheid van zijn echtgenote. De wensen ten aanzien van materiaalkeuze en indeling van de ramen zijn daar toen ter sprake gekomen. [eiser] heeft verklaard dat hij [getuige] boven heeft gevraagd of de plaatsing van dakkapellen vergunningsvrij mocht en dat [getuige] hem toen heeft gezegd dat dit vergunningsvrij mocht omdat het om een zijvlak van de woning ging, er geen zicht was op openbaar groen of op de openbare weg en dat het dan altijd vergunningvrij mocht worden uitgevoerd, zolang maar een afstand 50 cm van de nok en 50 cm van de zijkant van het dak zou worden gebleven. [eiser] heeft tot slot verklaard dat [getuige] hem niet heeft gezegd dat hij bij de gemeente moest informeren of het werk wel of niet vergunningvrij mocht worden uitgevoerd omdat dit per gemeente zou verschillen.
2.5
Zoals onder 2.1 vermeld is aan ZWN tegenbewijs opgedragen. Tegenbewijs houdt in het bewijzen van feiten of omstandigheden die het voorshands bewezen geachte feit toch onaannemelijk maken of uitsluiten.
2.6
De kantonrechter is van oordeel dat ZWN niet is geslaagd in het leveren van dat tegenbewijs. Daartoe overweegt hij het navolgende.
2.7
Vaak kan niet onomstotelijk worden vastgesteld of een te bewijzen opgedragen feit zich wel of niet heeft voorgedaan. In het civiele recht is dat ook niet vereist; een redelijke mate van zekerheid volstaat. Als algemene regel kan worden aangenomen dat een feit voor de civiele rechter is bewezen wanneer uit de beschikbare bewijsmiddelen redelijkerwijs kan worden afgeleid dat het feit zich heeft voorgedaan, en uit die bewijsmiddelen níet even goed kan worden afgeleid dat hetgeen de wederpartij met betrekking tot dat feit stelt, zich heeft voorgedaan, terwijl zich evenmin de situatie voordoet dat bewijsmateriaal ontbreekt dat redelijkerwijs verwacht mocht worden. Het bewijsoordeel komt dan tot stand door al het bewijsmateriaal te betrekken in de beantwoording van de vraag of het opgedragen bewijs is geleverd.
2.8
In veel gevallen zal bij die beoordeling het getuigenbewijs centraal staan. De mate van geloofwaardigheid van een getuigenverklaring moet dan worden gezocht in de inhoud van de verklaring zelf, in combinatie met andere bewijsmiddelen (of juist het ontbreken daarvan). In het algemeen geldt dat een getuigenverklaring als minder geloofwaardig moet worden beschouwd als (i) de verklaring niet valt te rijmen met andere informatie die in het dossier beschikbaar is, zoals overgelegde stukken, brieven, e-mails, whatsappconversaties en dergelijke, en de getuige daarvoor geen plausibele verklaring heeft kunnen geven (ii) de getuige bij doorvragen weinig details kan vermelden en (iii) de getuige een ingestudeerd verhaal vertelt waaraan hij geen details toevoegt en waaraan hij bij doorvragen niets verandert. Het begrip geloofwaardigheid moet daarbij worden onderscheiden van het begrip betrouwbaarheid, met name omdat ook een betrouwbare getuige ongeloofwaardige verklaringen kan afleggen. Een eerlijke en oprechte, betrouwbare getuige kan namelijk onjuiste herinneringen hebben aan wat hij heeft meegemaakt, ook al put hij zelfverzekerd en gedetailleerd uit zijn geheugen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat hij zich niet realiseert dat zijn herinnering is gekleurd door later door hem ontvangen informatie. Stelligheid is daardoor geen graadmeter voor de geloofwaardigheid van een verklaring: het is slechts een eigenschap van de getuige zelf. Terughoudendheid is ook op zijn plaats bij de beoordeling van de consistentie van een verklaring: het enkele feit dat een getuige in de loop van het verhoor onderdelen van zijn verklaring wijzigt, maakt de verklaring op zichzelf nog niet ongeloofwaardig. Bovendien moet de mogelijkheid sterk worden gerelativeerd om tijdens het getuigenverhoor op basis van non-verbale communicatie te beoordelen of aan een getuigenverklaring moet worden getwijfeld.
2.9
In het onderhavige geval heeft de kantonrechter geen enkele reden te twijfelen aan de oprechtheid van de [getuige] . Wel is hij van oordeel dat deze getuige ook bij doorvragen te weinig details kon vermelden die maken dat voldoende aannemelijk is dat hij [eiser] – die zulks onder ede betwist – daadwerkelijk heeft geadviseerd om contact op te nemen met de gemeente om na te vragen of de door [eiser] gewenste dakkapellen vergunningvrij zouden mogen worden geplaatst. De enkele opmerking van de getuige dat hij klanten altijd adviseert navraag te doen bij de gemeente is naar het oordeel van de kantonrechter te weinig specifiek. De kantonrechter acht ZWN niet is geslaagd in het te leveren tegenbewijs als bedoeld in overweging 2.1. Het voorshands bewezen geachte feit is dus niet ontzenuwd en dat betekent dat het er in rechte voor moet worden gehouden dat ZWN haar waarschuwingsplicht heeft verzaakt.
Dictum
De kantonrechter
veroordeelt ZWN om tegen bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de som van € 22.768,00,
veroordeelt ZWN in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiser] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 1.971,06. Als ZWN niet tijdig aan voormelde veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet ZWN € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.