Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2024:5102
Strafrecht
Raadkamer
1,025 tokens
Dictum
[klaagster] B.V.,
vertegenwoordigd door de [naam] ,
gevestigd te [vestigingsadres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.C.J. Jacobs advocaat te Schijndel,
(Postbus 300, 5480 AH Schijndel),
hierna te noemen: klaagster.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 25 april 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 1 maart 2024 onder [naam] in beslag is genomen: een personenauto, merk Volkswagen Tiguan voorzien van het [kenteken] (hierna: de Volkswagen);
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 25 juni 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R. Jacobs, [naam] namens klaagster, mr. R.C.J. Jacobs als advocaat van klaagster en mr. A.S. Avagyan als gemachtigd advocaat van belanghebbende [belanghebbende] gehoord.
De belanghebbende is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan [belanghebbende] of aan klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster de in beslag genomen Volkswagen op rechtmatige wijze in eigendom heeft verkregen en deze vervolgens op 20 november 2023 heeft doorverkocht en geleverd aan [belanghebbende] . Ingevolge artikel 3:86 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is [belanghebbende] eigenaar van de Volkswagen geworden en klaagster concludeert dan ook met recht dat de Volkswagen zo spoedig mogelijk weer aan [belanghebbende] ter beschikking dient te worden gesteld. Klaagster en [belanghebbende] lijden beiden schade bij voortduring van het beslag. Het strafvorderlijk belang verzet zich niet tegen opheffing van het beslag.
In raadkamer heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende [belanghebbende] als een verkrijger te goeder trouw is te beschouwen en ook wordt beschermd door het bepaalde in artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Het belang van strafvordering verzet zich daarom niet tegen teruggave van de Volkswagen aan [belanghebbende] . Gelet hierop dient klaagster niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beklag nu de wet niet de mogelijkheid kent om een verzoek tot opheffing van het beslag te doen en teruggave van het in beslag genomen goed aan een ander te gelasten.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend.
Klaagster heeft gesteld niet de rechthebbende op de Volkswagen te zijn; deze behoort toe aan [belanghebbende] Onder die omstandigheden is klaagster geen belanghebbende. Klaagster zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het beklag. De klaagschriftprocedure kent bovendien niet de mogelijkheid van een last tot teruggave van in beslag genomen voorwerpen aan een ander dan degene die daarover een klaagschrift heeft ingediend (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het beklag.
Deze beslissing is op 25 juni 2024 genomen door mr. J.C.A.M. Los rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 25 juni 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).