Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:5037
Strafrecht; Strafprocesrecht
Wraking
1,404 tokens
Dictum
[verzoeker 1] BV
[verzoeker 2]
[verzoeker 3] BV
[verzoeker 4]
[verzoeker 5] BV
verder ook te noemen verzoeksters,
gemachtigde: [gemachtigde] .
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit het volgende:
- De processtukken zoals opgenomen in de procesdossier met parketnummer
82/183849-21, 82/183848-21, 82/183847-21, 82/183846-21 en 82/183845-21;
het proces-verbaal van de zitting van 8 juli 2024 waar tijdens de zitting door verzoeksters een wrakingsverzoek is gedaan;
de drie e-mailberichten van 10 juli 2024 van Sterk, Verschueren en Pastoors, waarin zij kenbaar maken niet in het wrakingsverzoek te berusten.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Sterk, mr. Verschueren en mr. Pastoors (hierna: de rechters), belast met de behandeling in de zaken met parketnummer 82/183849-21, 82/183848-21, 82/183847-21, 82/183846-21 en 82/183845-21 op de gronden die verzoeksters hebben uiteengezet in hun wrakingsverzoek.
2.2.
De rechters berusten niet in het verzoek tot wraking.
3De gronden van het verzoek
Door verzoeksters is, kort weergegeven, aangevoerd dat een schijn van partijdigheid of objectief gerechtvaardigde vrees van vooringenomenheid van de rechters bestaat doordat de rechters geen verstand van zaken hebben en niet goed zijn voorbereid.
Het wrakingsverzoek is als volgt opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 8 juli 2024: “U zegt mij dat ten laste is gelegd dat niet is voldaan aan de deponeringsplicht en dat uw vraag is waarom het arrest de deponeringsplicht aantast. Er wordt langs elkaar heen gepraat. U wil er te snel doorheen en dat kan niet. Ik heb een preliminair verweer. Ik wraak uw kamer. Ik merk dat u er geen verstand van heeft en niet goed bent voorbereid. In mijn stukken staat heel duidelijk dat ik wil beginnen met een preliminair verweer.”
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 512 Sv kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelt wraken op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeksters aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens hen een vooringenomenheid koesteren of dat de door verzoeksters geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling
4.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit de door verzoeksters aangevoerde wrakingsgronden, namelijk dat de rechters volgens verzoeksters niet (voldoende) zijn voorbereid en dat de rechters niet deskundig zijn, niet geconcludeerd kan worden dat de rechters ten aanzien van verzoeksters vooringenomen zijn of dat hun vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De enkele opmerking van de gemachtigde van verzoeksters dat hij graag wil starten met het preliminair verweer en dat daar (mogelijk) aan voorbij wordt gegaan, maakt niet dat de rechters vooringenomen zijn. Het is immers aan de rechters om regie te voeren tijdens de zitting. Dat verzoeksters het niet met deze wijze van regievoering eens zijn, mag zo zijn, maar daaruit volgt niet dat de rechters jegens verzoeksters een vooringenomenheid koesteren.
4.5.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoeksters vooringenomen zijn of dat hun vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
4.6.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 82/183849-21, 82/183848-21, 82/183847-21, 82/183846-21 en 82/183845-21 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 17 juli 2024 door mr. Van Kralingen, mr. Zander en mr. Leppens, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.