Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-24
ECLI:NL:RBZWB:2024:4999
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Bodemzaak
2,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/418015 / HA ZA 24-34
Vonnis van 24 juli 2024
in de zaak van:
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.R. Leenders,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats 2] (Duitsland),
gedaagde sub 1,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
die niet is verschenen,
2
2. [gedaagde sub 2] ,
te [plaats 3] (Duitsland),
gedaagde sub 2,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
die niet is verschenen,
3
3. [gedaagde sub 3] ,
te [plaats 4] (Zwitserland),
gedaagde sub 3,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
bezoekende advocaat: Volker Gensch (Duitsland),
samenwerkende advocaat: mr. T. Teke,
4 [gedaagde sub 4] ,
te [plaats 5] (Duitsland),
gedaagde sub 4,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
die niet is verschenen,
hierna gezamenlijk te noemen: gedaagden.
Inleiding
Dit vonnis is een vervolg op het vonnis van 1 mei 2024. [eiser] is daarbij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de gedaagden [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] . [eiser] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
In dit vonnis komt de rechtbank tot de conclusie dat zij bevoegd is ten aanzien van [gedaagde sub 3] , maar ten aanzien van de overige gedaagden zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren.
De zaak zal voor de verdere inhoudelijke behandeling worden verwezen naar de rechtbank Zeeland – West-Brabant, zittingsplaats Middelburg.
1De verdere procedure
1.1.
De verdere procedure blijkt uit:
- het vonnis van 1 mei 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [eiser] van 29 mei 2024.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank blijft bij dat wat is overwogen en beslist in het vonnis van 1 mei 2024.
ten aanzien van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4]
2.2.
Waar het gaat om de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] , allen woonachtig in Duitsland, heeft [eiser] bij akte nog het volgende gesteld.
Het klopt dat [eiser] een som geld naar de rekening van [gedaagde sub 2] in Duitsland heeft overgemaakt, maar daarmee was de reis van die som geld nog niet ten einde. [eiser] weet bovendien niet of de som geld nog intact is en waar het geld zich bevindt. Onder verwijzing naar het arrest Réunion européenne/Spliethoff’s Bevrachtingskantoor B.V. stelt [eiser] dat, anders dan in het arrest Kronhofer/Maier, volgens het Hof van Justitie EU niet één enkel land kan worden aangewezen als de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan en de schade is ingetreden. Omdat de plaats waar het schade brengende feit zich had voorgedaan moeilijk, zo niet onmogelijk te bepalen was, werd geoordeeld dat alleen de plaats waar de vervoerder de goederen moest afleveren moet gelden als de plaats waar de schade is ingetreden. Volgens [eiser] is niet in geschil dat gedaagden de som geld hadden moeten overmaken naar de bankrekening van [eiser] in Nederland. Hij kan niet anders dan de zaak voorleggen aan de Nederlandse rechter, aldus [eiser] .
Toetsingskader bij zuiver financiële schade
2.3.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU een autonome en strikte uitleg moet worden gegeven aan artikel 7 lid 2 EEX-Vo II als bijzondere bevoegdheidsbepaling die afwijkt van de algemene bevoegdheidsbepaling in artikel 4 lid 1 EEX-Vo II. De bijzondere bevoegdheidsbepaling berust op het bestaan van een bijzonder nauwe band tussen de vordering en de gerechten van de lidstaat waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het vanwege een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat die gerechten bevoegd zijn. De plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan ziet op zowel de plaats van de schade veroorzakende gebeurtenis (Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort). De keuze is aan de eiser.
2.4.
In het eerder bij vonnis van 1 mei 2024 aangehaalde arrest Marinari/Lloyds Bank is door het Hof van Justitie EU bepaald dat het begrip “plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan” niet zo ruim kan worden uitgelegd dat het gaat om iedere plaats waar de gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders al daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Oftewel: het moet gaan om directe (gevolgen van de) schade. De plaats waar indirecte (gevolg)schade intreedt, is niet relevant. In het eveneens eerder aangehaalde arrest Kronhofer/Maier is door het hof nader verklaard dat het ook niet de plaats omvat waar de verzoeker woont, waar zich het “centrum van zijn vermogen” bevindt, op de enkele grond dat hij daar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit een in een andere lidstaat ingetreden en door hem geleden verlies van (onderdelen van) zijn vermogen.
2.5.
Het Hof van Justitie EU heeft voorts in 2016 in het arrest Universal Music in algemene zin geoordeeld dat zuiver financiële schade die rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de eiser zonder bijkomende omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een relevant aanknopingspunt in het kader van artikel 7 lid 2 EEX-Vo II. Die bepaling moet volgens het hof zo worden uitgelegd dat als “plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan”, bij gebreke van andere aanknopingspunten, niet kan worden aangemerkt: de plaats in een lidstaat waar de schade is ingetreden wanneer die schade uitsluitend bestaat in een financieel verlies dat rechtstreeks intreedt op de bankrekening van de verzoeker en het rechtstreekse gevolg is van een onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in een andere lidstaat.
Geen bijkomende omstandigheden gesteld of gebleken
2.6.
De rechtbank overweegt dat [eiser] geen bijkomende omstandigheden of aanknopingspunten heeft gesteld en dat daarvan ook niet is gebleken. [eiser] stelt uitsluitend dat hij directe, zuiver financiële schade heeft geleden, omdat hij het bedrag van € 600.000,00 op 6 september 2019 van zijn rekening in Nederland heeft overgeboekt naar de rekening van [gedaagde sub 2] in Duitsland en het geld niet terugbetaald heeft gekregen. Dit financieel verlies op de bankrekening van [eiser] is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat het “Erfolgsort” in Nederland ligt.
Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] handelingen hebben verricht in Nederland, zodat ook het “Handlungsort” geen aanknopingspunt biedt voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De geldleningsovereenkomst waaraan [eiser] in dit kader bij akte refereert, is weliswaar getekend in Zwolle, maar niet ook door [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] en ligt bovendien niet ten grondslag aan de vordering. Door de overeengekomen overboeking van het bedrag van € 600.000,00 van de rekening van [eiser] naar de rekening van [gedaagde sub 2] was de schade nog niet ingetreden.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 4] ,
3.2.
verklaart zich bevoegd ten aanzien van [gedaagde sub 3] ,
3.3.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Zeeland – West-Brabant, team Civiel recht handelszaken, zittingsplaats Middelburg.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.
HvJ EG 27 oktober 1998, C-51/97, ECLI:NL:XX:1998:AD2952, NJ 2000,156 (Réunion européenne e.a./Spliethoff’s Bevrachtingskantoor B.V.)
HvJ EU 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier)
HvJ EU 19 september 1995, C-364/93, ECLI:EU:C:1995:289 (Marinari/Lloyds Bank)
HvJ EU 10 juni 2004, C-168/02, ECLI:EU:C:2004:364 (Kronhofer/Maier)
HvJ EU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music)