Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-17
ECLI:NL:RBZWB:2024:4941
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,866 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10891759 \ CV EXPL 24-271
Vonnis van 17 juli 2024
in de zaak van
STICHTING THUISVESTER,
te Oosterhout,
eisende partij,
hierna te noemen: Thuisvester,
gemachtigde: GGN Brabant,
tegen
WIJLEN [gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
(voorheen) procederend bij haar zoon, de heer [zoon gedaagde] .
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 maart 2024 met de daarin genoemde stukken;
- de mondelinge behandeling van 25 april 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de akte van Thuisvester van 30 april 2024; - de brief van Thuisvester van 11 juni 2024;
- het e-mailbericht van 12 juni 2024 van de kantonrechter aan de bewindvoerder van de heer [zoon gedaagde] ;
- de e-mailberichten van 12 en 14 juni 2024 van de bewindvoerder van de heer [zoon gedaagde] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1
Thuisvester vordert - samengevat – de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen, omdat sprake is van een huurachterstand en omdat [gedaagde] (ten tijde van dagvaarding) niet haar hoofdverblijf in haar woning heeft. Verder vordert Thuisvester [gedaagde] te veroordelen tot betaling van (achterstallige) huur en gebruiksvergoeding, vermeerderd met rente en kosten.
2.2
Namens [gedaagde] heeft de heer [zoon gedaagde] (de zoon van [gedaagde] ) verweer gevoerd dat er – heel kort samengevat – op neerkomt dat hij de kantonrechter verzoekt de zaak te seponeren.
2.3
Vervolgens is tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 25 april 2024 gebleken dat [gedaagde] reeds op [datum] 2024 is overleden. De kantonrechter heeft de behandeling van de zaak daarom aangehouden om de erfgenaam/erfgenamen van [gedaagde] in de gelegenheid te stellen schorsing van de procedure te verzoeken.
2.4
Bij brief van 11 juni 2024 heeft Thuisvester de kantonrechter op de hoogte gesteld dat de heer [zoon gedaagde] bij beschikking van de kantonrechter van 12 april 2024 te Breda onder bewind is gesteld (althans zijn goederen). Verder meldt Thuisvester dat de heer [zoon gedaagde] enig erfgenaam is in de nalatenschap van [gedaagde] , die hij volgens de bewindvoerder, zuiver heeft aanvaard. De bewindvoerder heeft, ondanks een toezegging, de huurovereenkomst niet opgezegd, reden waarom Thuisvester verzoekt vonnis te wijzen.
2.5
Naar aanleiding van de brief van Thuisvester heeft de kantonrechter de bewindvoerder bij e-mailbericht van 12 juni 2024 (onder gelijktijdige toezending van die e-mail aan Thuisvester) verzocht zich als wettelijk vertegenwoordiger van de heer [zoon gedaagde] , uit te laten over de voortgang van de procedure.
2.6
In reactie daarop reageert de bewindvoerder diezelfde dag dat zij de huur zal gaan opzeggen zodat ontruiming van de woning zo spoedig mogelijk gaat plaatsvinden. Daarna heeft de bewindvoerder op 14 juni 2024 een e-mail gestuurd waarin zij verzoekt toch een vonnis te wijzen.
2.7
De kantonrechter overweegt als volgt. Nu geen schorsing als bedoeld in artikel 225 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is verzocht door of namens de erfgenaam van [gedaagde] , wordt het geding voortgezet op naam van de oorspronkelijke partij.
2.8
De juistheid van de vorderingen is niet weersproken. De vorderingen komen de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen met uitzondering van de gevorderde wettelijke verhoging over de schadevergoeding. De wettelijke huurverhoging is immers enkel toewijsbaar over bedragen die op grond van de overeenkomst verschuldigd zijn.
2.9
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de akte(s) na mondelinge behandeling zal geen salaris worden toegekend, nu deze geen bijzondere inhoud bevatten. De proceskosten van Thuisvester worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
136,72
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2,00 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.309,72
Dictum
De kantonrechter
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen Thuisvester en [gedaagde] ;
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde aan het [adres] te [plaats] , geheel te ontruimen en met al de haren en het hare te verlaten en de sleutels ter beschikking te stellen aan eiseres;
veroordeelt [gedaagde] om aan Thuisvester te betalen:
een bedrag van € 4.479,37 aan huur tot en met december 2023 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten en verschenen rente), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.914,55 vanaf 16 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
een bedrag van € 597,23 (nog te verhogen met eventuele indexeringen) aan huur per maand vanaf 1 januari 2024 tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
een bedrag van € 597,23 aan gebruiksvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst in gebruik houdt;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.309,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2024.