Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-07-12
ECLI:NL:RBZWB:2024:4787
Strafrecht
Op tegenspraak
17,420 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/302608-23
vonnis van de meervoudige kamer van 12 juli 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave ,
raadsvrouw mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juni 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I. Klein, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op 15 november 2023 samen met anderen een gewapende overval heeft gepleegd dan wel daaraan medeplichtig is geweest;
feit 2: op 15 november 2023 samen met anderen een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [benadeelde 1] , de camerabeelden, de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot het vuurwapen en de bijbehorende munitie en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , afgelegd bij de politie.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte wist op het moment dat de medeverdachten bij hem in de auto stapten niet dat zij een gewapende overval zouden gaan plegen en kon hiermee dan ook geen rekening houden. Er was dus geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en het vereiste dubbele opzet voor medeplichtigheid ontbreekt. Als er al iets besproken is in de auto, dan heeft verdachte dit niet meegekregen. Verdachte is de Nederlandse taal namelijk niet machtig. Dit gesprek zou zich bovendien op de achterbank hebben afgespeeld. De verdediging verzoekt dan ook verdachte vrij te spreken. Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte geen medepleger is omdat hij slechts het vervoer heeft geregeld. Dat is hooguit aan te merken als medeplichtigheid aan de overval.
Ook ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging vrijspraak. Verdachte wist niet dat één van de medeverdachten een vuurwapen met munitie bij zich had. Verdachte heeft bovendien geen beschikkingsmacht over het vuurwapen gehad, nu deze in het bezit was van de medeverdachte en voor verdachte dus niet voor het grijpen is geweest. De voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan niet worden aangenomen.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Feiten
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 15 november 2023 is vertrokken uit (de omgeving van) Rotterdam en met drie andere mannen naar [plaats 2] is gereden. Hij is nabij de kledingwinkel [benadeelde 2] aan [adres] gestopt, waarna deze drie mannen zijn uitgestapt en (de eigenaar van) de kledingwinkel hebben overvallen. Zij zijn met de buit terug in de auto van verdachte gestapt en verdachte is weggereden. Dit is ook niet betwist door de verdediging.
De rechtbank gaat er vanuit dat de drie andere mannen bij verdachte in de auto [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn geweest. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben bekend dat zij de overval hebben gepleegd. Op basis van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat zij samen met [medeverdachte 3] de kledingwinkel binnen zijn gegaan en daar de eigenaar van de kledingwinkel, [benadeelde 1] , met een vuurwapen hebben bedreigd en hem met tiewraps hebben vastgebonden.
Wetenschap
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij niet wist dat de drie mannen (de eigenaar van) de kledingwinkel gingen overvallen. Ook wist hij niet dat zij een vuurwapen bij zich hadden. Aan hem was alleen gevraagd de drie mannen op te halen, ergens naar toe te brengen, daar op hen te wachten en daarna met hen weer terug te rijden. Hij zou daar € 300,- voor krijgen.
Uit de camerabeelden die zijn opgenomen in de kledingwinkel en die ook ter zitting zijn getoond, leidt de rechtbank af dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Er was een duidelijke rolverdeling. Op het moment dat [medeverdachte 2] het vuurwapen trok en tegen de borst van [benadeelde 1] zette, ondernamen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] meteen actie. Zij pakten meteen hun eigen taak op. Zo ging [medeverdachte 3] terstond over tot het pakken van de kleding en het stoppen van de kleding in tassen. [medeverdachte 1] ging over tot het vastbinden van de handen van [benadeelde 1] op zijn rug met tiewraps en het lek steken van zijn autobanden.
De verklaring die [medeverdachte 1] bij de politie heeft afgelegd over de gang van zaken tijdens de overval, de daarbij betrokken personen en de gesprekken daaraan voorafgaand in de auto, sluit naadloos op de getoonde beelden aan. Hij heeft die verklaring ook meteen afgelegd, nog voordat hij de camerabeelden had gezien. Hij heeft bovendien ook uitgebreid en belastend over zijn eigen rol verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wat [medeverdachte 1] over de toedracht heeft verklaard ook het meest conform de waarheid is en de rechtbank heeft geen enkele reden om daaraan te twijfelen
Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat in de auto expliciet is besproken dat zij in [plaats 2] een overval gingen plegen en dat in de auto ook het vuurwapen dat zou worden gebruikt is getoond. Verdachte was dus bekend met wat er ging gebeuren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het om een kleine auto ging waarin zij, gedurende de rit van (omgeving) Rotterdam richting [plaats 2] , met zijn vieren zaten, zodat hetgeen ter voorbereiding werd besproken, ook voor eenieder hoorbaar moet zijn geweest. Dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen en daardoor mogelijk niet alles zou hebben meegekregen wat er in de auto is gezegd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Gebleken is dat verdachte, die de auto bestuurde en drie medeverdachten vanaf verschillende locaties naar [adres] in [plaats 2] heeft vervoerd, in staat was instructies of aanwijzingen op te volgen. Ook was het voor verdachte kenbaar dat van hem werd verwacht dat hij in de auto zou blijven zitten. De rechtbank leidt hieruit af dat er door de medeverdachten met verdachte (effectief) kon worden gecommuniceerd. Bovendien is van de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] allebei bekend dat zij op [geboorteplaats 2] zijn geboren. Het is dan juist zeer waarschijnlijk dat zij, net zoals [verdachte] , Papiaments spreken omdat dit een taal is die ook op [geboorteplaats 2] wordt gesproken.
Medeplegen of medeplichtigheid?
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is hoe de betrokkenheid van verdachte bij de overval juridisch moet worden gekwalificeerd.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Daarbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Verdachte heeft [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgehaald in (de omgeving van) Rotterdam en hen naar [plaats 2] vervoerd, hen daar laten uitstappen en hen vervolgens na de overval weer laten instappen, terwijl hij wist dat zij een overval zouden gaan plegen. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte zijn auto achteruit heeft ingeparkeerd, hetgeen gebruikelijk is wanneer men verwacht snel vooruit weg te moeten kunnen rijden. Hoewel niet doorslaggevend, draagt ook dit bij aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte van het voornemen een overval te plegen op de hoogte was. Tijdens de overval heeft daarnaast [medeverdachte 1] een band lek gestoken van de auto van [benadeelde 1] . Deze auto stond vrijwel naast de auto van verdachte geparkeerd. Door het leksteken van de band werd ook het alarm van de auto van die [benadeelde 1] geactiveerd. Zo is op de camerabeelden te zien dat de alarmlichten werden ontstoken. De ervaring leert dat bij het inschakelen van een autoalarm de auto ook een luid signaal afgeeft. Dit maakt waarschijnlijk dat verdachte deze sabotage-actie heeft waargenomen. Ook hierin heeft verdachte geen aanleiding gezien zijn ondersteuning aan de overval te onderbreken. Verdachte was dus de chauffeur van de overvallers en zijn acties waren gericht op de ondersteuning van de overval. Gelet op deze rol van verdachte en het ontbreken van feiten en omstandigheden die wijzen op een materiële bijdrage van voldoende gewicht, is dit onvoldoende voor het primair tenlastegelegde medeplegen van de overval. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Verdachte heeft zich door zo te handelen wel schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de overval, zoals subsidiair ten laste is gelegd.
Feit 2
Voortbordurend op hetgeen is overwogen over het bewijs van het eerste feit kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten het vuurwapen en de daarbij behorende munitie, dat bij de overval is gebruikt, voorhanden heeft gehad. In de auto is immers over de overval gesproken en is het vuurwapen getoond. Het kan daarom niet anders zijn dan dat alle vier inzittenden de wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen en de daarbij behorende munitie hebben gehad.
Beoordeling
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte is medeplichtig geweest aan een gewapende overval op een kledingwinkel, waarbij de eigenaar van de winkel, [benadeelde 1] , is bedreigd met een vuurwapen. [benadeelde 1] werd gedwongen op de grond te gaan liggen, zijn zakken werden doorzocht en zijn handen werden op zijn rug vastgebonden met tiewraps. Bij deze overval zijn duizenden euro’s aan merkkleding en andere voorwerpen buitgemaakt. Verdachte is degene geweest die de groep van en naar de plaats delict heeft gereden en ook de vlucht mogelijk heeft gemaakt.
Het spreekt voor zich dat deze overval voor [benadeelde 1] een uitermate beangstigende en traumatische ervaring moet zijn geweest. Hij is op zijn werk, een voor hem veilige en vertrouwde omgeving, overvallen. Hij is daarbij – onder meer – onder schot gehouden met een vuurwapen. [benadeelde 1] heeft in zijn vordering tot schadevergoeding aangegeven wat de overval teweeg heeft gebracht bij hem. Hij voelt zich niet meer veilig en slaapt sindsdien slecht. Zijn vertrouwen in andere mensen is verdwenen. Hij vermijdt afspraken met klanten op kantoor en neemt geen nieuwe klanten meer aan.
Ook bij de broer van [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , heeft de overval diepe sporen nagelaten. Omdat [benadeelde 1] van tevoren een slecht onderbuikgevoel had, zat [benadeelde 3] aan de overkant van de weg in zijn auto en keek hij live mee op de camerabeelden. Hij heeft gezien hoe [benadeelde 1] met een vuurwapen werd bedreigd en met tiewraps werd vastgebonden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van [benadeelde 3] blijkt dat hij het vertrouwen in mensen is verloren door wat [benadeelde 1] is overkomen. Hij heeft nog altijd angstgevoelens en is het plezier in zijn werk compleet verloren.
Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en enkel zijn eigen gewin voor ogen gehad. Niets heeft hem ervan weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier, door zijn medeverdachten naar en vanaf de overval te vervoeren, snel aan geld te komen. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.
Daarnaast heeft de verdachte samen met zijn medeverdachten een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en leidt op zichzelf al tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Het strafblad
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 27 mei 2024. Hieruit volgt dat verdachte op verschillende leefgebieden problemen ervaart.
Zo heeft hij geen woning en geen werk en kampt hij met schulden. Het psychosociaal functioneren en sociaal netwerk kunnen als criminogene factoren worden aangemerkt. Omdat het delictverleden van verdachte beperkt is en er op enkele leefgebieden sprake is van stabiliteit, wordt het recidive risico ingeschat als laag. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie, de verplichting te verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met de medeverdachten, de verplichting (on)betaald werk te vinden en te behouden en de verplichting mee te werken aan schuldhulpverlening.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals hiervoor uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Wat betreft de hoogte van deze op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarmee zoveel mogelijk wordt gewaarborgd dat de straftoemeting aansluit bij straffen die in andere vergelijkbare zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten gaan alleen al voor een overval op een winkel waarbij is gedreigd of licht geweld is gebruikt, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Verdachte was weliswaar zelf niet binnen bij de overval aanwezig, maar heeft de aanmerkelijke kans op gewelddadig gedrag van de overvallers op de koop toegenomen toen hij er mee instemde om hen van en naar de plaats delict te rijden en ook de vlucht mogelijk te maken. Dat hij zelf niet met geweld heeft gedreigd en niet wegrende bij zijn aanhouding, weegt de rechtbank echter wel in zijn voordeel mee. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij geen spijt of berouw heeft getoond in de richting van de slachtoffers.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van tweeënhalf jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden is en zal dit aan verdachte opleggen. Anders dan geadviseerd door de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De hoogte van deze gevangenisstraf geeft bovendien de mogelijkheid om verdachte voorwaardelijk in vrijheid te stellen, zodat na het uitzitten van de gevangenisstraf bekeken kan worden welke voorwaarden aan de voorkoming van recidive door verdachte effectief kunnen bijdragen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een locatieverbod voor [adres] in [plaats 2] op te leggen Daarbij neemt de rechtbank de duur van de opgelegde gevangenisstraf in aanmerking en de omstandigheid dat op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte en zijn medeverdachten het voorzien hadden op de aangevers als persoon. Zij handelden uitsluitend uit financieel gewin.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De benadeelde partijen
7.1
De benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 8.035,-, waarvan € 535,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Het gevorderde bedrag aan materiële schade bestaat uit kosten voor toekomstige afspraken bij de psycholoog ad € 385,- en toekomstige reiskosten naar de psycholoog ad € 150,-. De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze kosten zouden kunnen leiden, niet voldoende vaststaan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Niet staat vast dat de behandelingen bij de psycholoog daadwerkelijk zullen gaan plaatsvinden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is gesteld dat hij van het bewezenverklaarde handelen van verdachte nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan of vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2: medeplegen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2,5 (tweeënhalf) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 3.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] (feit 1), € 3.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 45 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 3]
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 3] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[benadeelde 4] B.V.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] B.V. van € 202,48 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] B.V. (feit 1), € 202,48,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2] B.V.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] B.V. van € 4.128,82 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] B.V. (feit 1), € 4.128,82 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 52 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2024.
Mr. Kempen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
10Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 15 november 2023 te [plaats 2] , althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid (dure merk-)kleding en/of een laptop (Apple Macbook
pro) en/of sleutels en/of twee, althans een GSM('s) (Apple Iphone), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of
[benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] B.V.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/302608-23
vonnis van de meervoudige kamer van 12 juli 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Grave ,
raadsvrouw mr. D.N. de Jonge, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juni 2024, waarbij de officier van justitie, mr. I. Klein, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: op 15 november 2023 samen met anderen een gewapende overval heeft gepleegd dan wel daaraan medeplichtig is geweest;
feit 2: op 15 november 2023 samen met anderen een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en de onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [benadeelde 1] , de camerabeelden, de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot het vuurwapen en de bijbehorende munitie en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , afgelegd bij de politie.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Verdachte wist op het moment dat de medeverdachten bij hem in de auto stapten niet dat zij een gewapende overval zouden gaan plegen en kon hiermee dan ook geen rekening houden. Er was dus geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en het vereiste dubbele opzet voor medeplichtigheid ontbreekt. Als er al iets besproken is in de auto, dan heeft verdachte dit niet meegekregen. Verdachte is de Nederlandse taal namelijk niet machtig. Dit gesprek zou zich bovendien op de achterbank hebben afgespeeld. De verdediging verzoekt dan ook verdachte vrij te spreken. Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte geen medepleger is omdat hij slechts het vervoer heeft geregeld. Dat is hooguit aan te merken als medeplichtigheid aan de overval.
Ook ten aanzien van feit 2 bepleit de verdediging vrijspraak. Verdachte wist niet dat één van de medeverdachten een vuurwapen met munitie bij zich had. Verdachte heeft bovendien geen beschikkingsmacht over het vuurwapen gehad, nu deze in het bezit was van de medeverdachte en voor verdachte dus niet voor het grijpen is geweest. De voor het medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan niet worden aangenomen.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Feiten
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 15 november 2023 is vertrokken uit (de omgeving van) Rotterdam en met drie andere mannen naar [plaats 2] is gereden. Hij is nabij de kledingwinkel [benadeelde 2] aan [adres] gestopt, waarna deze drie mannen zijn uitgestapt en (de eigenaar van) de kledingwinkel hebben overvallen. Zij zijn met de buit terug in de auto van verdachte gestapt en verdachte is weggereden. Dit is ook niet betwist door de verdediging.
De rechtbank gaat er vanuit dat de drie andere mannen bij verdachte in de auto [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn geweest. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben bekend dat zij de overval hebben gepleegd. Op basis van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank ervan uit dat zij samen met [medeverdachte 3] de kledingwinkel binnen zijn gegaan en daar de eigenaar van de kledingwinkel, [benadeelde 1] , met een vuurwapen hebben bedreigd en hem met tiewraps hebben vastgebonden.
Wetenschap
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij niet wist dat de drie mannen (de eigenaar van) de kledingwinkel gingen overvallen. Ook wist hij niet dat zij een vuurwapen bij zich hadden. Aan hem was alleen gevraagd de drie mannen op te halen, ergens naar toe te brengen, daar op hen te wachten en daarna met hen weer terug te rijden. Hij zou daar € 300,- voor krijgen.
Uit de camerabeelden die zijn opgenomen in de kledingwinkel en die ook ter zitting zijn getoond, leidt de rechtbank af dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Er was een duidelijke rolverdeling. Op het moment dat [medeverdachte 2] het vuurwapen trok en tegen de borst van [benadeelde 1] zette, ondernamen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] meteen actie. Zij pakten meteen hun eigen taak op. Zo ging [medeverdachte 3] terstond over tot het pakken van de kleding en het stoppen van de kleding in tassen. [medeverdachte 1] ging over tot het vastbinden van de handen van [benadeelde 1] op zijn rug met tiewraps en het lek steken van zijn autobanden.
De verklaring die [medeverdachte 1] bij de politie heeft afgelegd over de gang van zaken tijdens de overval, de daarbij betrokken personen en de gesprekken daaraan voorafgaand in de auto, sluit naadloos op de getoonde beelden aan. Hij heeft die verklaring ook meteen afgelegd, nog voordat hij de camerabeelden had gezien. Hij heeft bovendien ook uitgebreid en belastend over zijn eigen rol verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wat [medeverdachte 1] over de toedracht heeft verklaard ook het meest conform de waarheid is en de rechtbank heeft geen enkele reden om daaraan te twijfelen
Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat in de auto expliciet is besproken dat zij in [plaats 2] een overval gingen plegen en dat in de auto ook het vuurwapen dat zou worden gebruikt is getoond. Verdachte was dus bekend met wat er ging gebeuren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het om een kleine auto ging waarin zij, gedurende de rit van (omgeving) Rotterdam richting [plaats 2] , met zijn vieren zaten, zodat hetgeen ter voorbereiding werd besproken, ook voor eenieder hoorbaar moet zijn geweest. Dat verdachte de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen en daardoor mogelijk niet alles zou hebben meegekregen wat er in de auto is gezegd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Gebleken is dat verdachte, die de auto bestuurde en drie medeverdachten vanaf verschillende locaties naar [adres] in [plaats 2] heeft vervoerd, in staat was instructies of aanwijzingen op te volgen. Ook was het voor verdachte kenbaar dat van hem werd verwacht dat hij in de auto zou blijven zitten. De rechtbank leidt hieruit af dat er door de medeverdachten met verdachte (effectief) kon worden gecommuniceerd. Bovendien is van de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] allebei bekend dat zij op [geboorteplaats 2] zijn geboren. Het is dan juist zeer waarschijnlijk dat zij, net zoals [verdachte] , Papiaments spreken omdat dit een taal is die ook op [geboorteplaats 2] wordt gesproken.
Medeplegen of medeplichtigheid?
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is hoe de betrokkenheid van verdachte bij de overval juridisch moet worden gekwalificeerd.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Daarbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Verdachte heeft [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgehaald in (de omgeving van) Rotterdam en hen naar [plaats 2] vervoerd, hen daar laten uitstappen en hen vervolgens na de overval weer laten instappen, terwijl hij wist dat zij een overval zouden gaan plegen. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte zijn auto achteruit heeft ingeparkeerd, hetgeen gebruikelijk is wanneer men verwacht snel vooruit weg te moeten kunnen rijden. Hoewel niet doorslaggevend, draagt ook dit bij aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte van het voornemen een overval te plegen op de hoogte was. Tijdens de overval heeft daarnaast [medeverdachte 1] een band lek gestoken van de auto van [benadeelde 1] . Deze auto stond vrijwel naast de auto van verdachte geparkeerd. Door het leksteken van de band werd ook het alarm van de auto van die [benadeelde 1] geactiveerd. Zo is op de camerabeelden te zien dat de alarmlichten werden ontstoken. De ervaring leert dat bij het inschakelen van een autoalarm de auto ook een luid signaal afgeeft. Dit maakt waarschijnlijk dat verdachte deze sabotage-actie heeft waargenomen. Ook hierin heeft verdachte geen aanleiding gezien zijn ondersteuning aan de overval te onderbreken. Verdachte was dus de chauffeur van de overvallers en zijn acties waren gericht op de ondersteuning van de overval. Gelet op deze rol van verdachte en het ontbreken van feiten en omstandigheden die wijzen op een materiële bijdrage van voldoende gewicht, is dit onvoldoende voor het primair tenlastegelegde medeplegen van de overval. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Verdachte heeft zich door zo te handelen wel schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de overval, zoals subsidiair ten laste is gelegd.
Feit 2
Voortbordurend op hetgeen is overwogen over het bewijs van het eerste feit kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten het vuurwapen en de daarbij behorende munitie, dat bij de overval is gebruikt, voorhanden heeft gehad. In de auto is immers over de overval gesproken en is het vuurwapen getoond. Het kan daarom niet anders zijn dan dat alle vier inzittenden de wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen en de daarbij behorende munitie hebben gehad.
Beoordeling
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte is medeplichtig geweest aan een gewapende overval op een kledingwinkel, waarbij de eigenaar van de winkel, [benadeelde 1] , is bedreigd met een vuurwapen. [benadeelde 1] werd gedwongen op de grond te gaan liggen, zijn zakken werden doorzocht en zijn handen werden op zijn rug vastgebonden met tiewraps. Bij deze overval zijn duizenden euro’s aan merkkleding en andere voorwerpen buitgemaakt. Verdachte is degene geweest die de groep van en naar de plaats delict heeft gereden en ook de vlucht mogelijk heeft gemaakt.
Het spreekt voor zich dat deze overval voor [benadeelde 1] een uitermate beangstigende en traumatische ervaring moet zijn geweest. Hij is op zijn werk, een voor hem veilige en vertrouwde omgeving, overvallen. Hij is daarbij – onder meer – onder schot gehouden met een vuurwapen. [benadeelde 1] heeft in zijn vordering tot schadevergoeding aangegeven wat de overval teweeg heeft gebracht bij hem. Hij voelt zich niet meer veilig en slaapt sindsdien slecht. Zijn vertrouwen in andere mensen is verdwenen. Hij vermijdt afspraken met klanten op kantoor en neemt geen nieuwe klanten meer aan.
Ook bij de broer van [benadeelde 1] , [benadeelde 3] , heeft de overval diepe sporen nagelaten. Omdat [benadeelde 1] van tevoren een slecht onderbuikgevoel had, zat [benadeelde 3] aan de overkant van de weg in zijn auto en keek hij live mee op de camerabeelden. Hij heeft gezien hoe [benadeelde 1] met een vuurwapen werd bedreigd en met tiewraps werd vastgebonden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van [benadeelde 3] blijkt dat hij het vertrouwen in mensen is verloren door wat [benadeelde 1] is overkomen. Hij heeft nog altijd angstgevoelens en is het plezier in zijn werk compleet verloren.
Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en enkel zijn eigen gewin voor ogen gehad. Niets heeft hem ervan weerhouden om, ten koste van anderen, op deze manier, door zijn medeverdachten naar en vanaf de overval te vervoeren, snel aan geld te komen. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.
Daarnaast heeft de verdachte samen met zijn medeverdachten een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en leidt op zichzelf al tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Het strafblad
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 27 mei 2024. Hieruit volgt dat verdachte op verschillende leefgebieden problemen ervaart.
Zo heeft hij geen woning en geen werk en kampt hij met schulden. Het psychosociaal functioneren en sociaal netwerk kunnen als criminogene factoren worden aangemerkt. Omdat het delictverleden van verdachte beperkt is en er op enkele leefgebieden sprake is van stabiliteit, wordt het recidive risico ingeschat als laag. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een gedragsinterventie, de verplichting te verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met de medeverdachten, de verplichting (on)betaald werk te vinden en te behouden en de verplichting mee te werken aan schuldhulpverlening.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, zoals hiervoor uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Wat betreft de hoogte van deze op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarmee zoveel mogelijk wordt gewaarborgd dat de straftoemeting aansluit bij straffen die in andere vergelijkbare zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten gaan alleen al voor een overval op een winkel waarbij is gedreigd of licht geweld is gebruikt, uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden. Verdachte was weliswaar zelf niet binnen bij de overval aanwezig, maar heeft de aanmerkelijke kans op gewelddadig gedrag van de overvallers op de koop toegenomen toen hij er mee instemde om hen van en naar de plaats delict te rijden en ook de vlucht mogelijk te maken. Dat hij zelf niet met geweld heeft gedreigd en niet wegrende bij zijn aanhouding, weegt de rechtbank echter wel in zijn voordeel mee. De rechtbank weegt in het nadeel van verdachte mee dat hij geen spijt of berouw heeft getoond in de richting van de slachtoffers.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van tweeënhalf jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden is en zal dit aan verdachte opleggen. Anders dan geadviseerd door de reclassering ziet de rechtbank geen aanleiding om een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De hoogte van deze gevangenisstraf geeft bovendien de mogelijkheid om verdachte voorwaardelijk in vrijheid te stellen, zodat na het uitzitten van de gevangenisstraf bekeken kan worden welke voorwaarden aan de voorkoming van recidive door verdachte effectief kunnen bijdragen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een locatieverbod voor [adres] in [plaats 2] op te leggen Daarbij neemt de rechtbank de duur van de opgelegde gevangenisstraf in aanmerking en de omstandigheid dat op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte en zijn medeverdachten het voorzien hadden op de aangevers als persoon. Zij handelden uitsluitend uit financieel gewin.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7De benadeelde partijen
7.1
De benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 8.035,-, waarvan € 535,- aan materiële schade en € 7.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
Het gevorderde bedrag aan materiële schade bestaat uit kosten voor toekomstige afspraken bij de psycholoog ad € 385,- en toekomstige reiskosten naar de psycholoog ad € 150,-. De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze kosten zouden kunnen leiden, niet voldoende vaststaan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Niet staat vast dat de behandelingen bij de psycholoog daadwerkelijk zullen gaan plaatsvinden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is gesteld dat hij van het bewezenverklaarde handelen van verdachte nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden en nog steeds ondervindt.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan of vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2: medeplegen handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2,5 (tweeënhalf) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen
[benadeelde 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 3.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] (feit 1), € 3.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 45 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 3]
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 3] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[benadeelde 4] B.V.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] B.V. van € 202,48 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] B.V. (feit 1), € 202,48,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
[benadeelde 2] B.V.
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] B.V. van € 4.128,82 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] B.V. (feit 1), € 4.128,82 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 52 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. M.A.H. Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 juli 2024.
Mr. Kempen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
10Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 15 november 2023 te [plaats 2] , althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een hoeveelheid (dure merk-)kleding en/of een laptop (Apple Macbook
pro) en/of sleutels en/of twee, althans een GSM('s) (Apple Iphone), in
elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of
[benadeelde 3] en/of [benadeelde 2] B.V.
Beoordeling
Hij voelt zich nog altijd erg onveilig en angstig en kampt met slaapproblemen, stress en vermoeidheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij ernstige nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden – in het bijzonder het feit dat de benadeelde partij met een vuurwapen werd bedreigd, op zijn buik op de grond moest gaan liggen en met tiewraps werd vastgebonden – en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van een bedrag van € 3.500,- billijk. De rechtbank acht dit deel van de gevorderde immateriële schade dan ook toewijsbaar. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
7.2
De benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 4.588,35, waarvan € 1.088,35 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, bestaande uit shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het juridisch kader
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van.
oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
aantasting in de persoon: 1) door het plegen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de onder b. 3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Vergoeding van immateriële schade zoals onder b. 3) bedoeld kan ook plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of verwond (zogenoemde ‘shockschade’).
In zijn arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) heeft de Hoge Raad over vergoeding van de ‘shockschade’ nog het volgende overwogen:
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijk schokkende gebeurtenis;
de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Immateriële schade
In dit geval heeft de benadeelde partij live op de camerabeelden meegekeken en gezien hoe zijn broer [benadeelde 1] met een vuurwapen werd bedreigd en met tiewraps werd vastgebonden. De benadeelde partij stelt dat de broers een hechte band hebben, nu zij samen het bedrijf hebben opgericht, zij samenwerkten en elkaar ook privé vaak zagen. Het bestaan van een hechte relatie is verder niet onderbouwd. Gelet op de jurisprudentie op dit punt is de vraag of deze relatie in juridische zin als voldoende hecht gekwalificeerd kan worden. Los wat hiervan zij, strandt de vordering naar het oordeel van de rechtbank op onder meer de ernst van het aan het slachtoffer ( [benadeelde 1] ) toegebrachte leed. De rechtbank stelt voorop dat het voor de benadeelde partij heel moeilijk moet zijn geweest om de overval op zijn broer [benadeelde 1] live te aanschouwen, maar nu [benadeelde 1] bij deze overval niet gewond is geraakt en de intentie van de daders ook niet op verwonding was gericht, alsook dat de benadeelde partij juist live meekeek met de beelden omdat hij enigszins bedacht was op een onrechtmatige daad (diefstal), is niet komen vast te staan dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De rechtbank verklaart de vordering op dit punt dan ook niet-ontvankelijk.
Materiële schade
Ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat er voor derden geen (wettelijke) grond is om naast shockschade ook (al dan niet met die shock samenhangende) materiële schade zoals hier gevorderd, voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk verklaren.
7.3
De benadeelde partij [benadeelde 4] B.V.
De benadeelde partij [benadeelde 4] B.V. vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 202,48 aan materiële schade (reparatie autoband), te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de reparatie van de autoband voldoende zijn onderbouwd. Deze kosten staan ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de gevorderde schadepost dan ook volledig toewijsbaar.
7.4
De benadeelde partij [benadeelde 2] B.V.
De benadeelde partij [benadeelde 2] B.V.
Beoordeling
Hij voelt zich nog altijd erg onveilig en angstig en kampt met slaapproblemen, stress en vermoeidheid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij ernstige nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij is sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden – in het bijzonder het feit dat de benadeelde partij met een vuurwapen werd bedreigd, op zijn buik op de grond moest gaan liggen en met tiewraps werd vastgebonden – en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van een bedrag van € 3.500,- billijk. De rechtbank acht dit deel van de gevorderde immateriële schade dan ook toewijsbaar. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
7.2
De benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 4.588,35, waarvan € 1.088,35 aan materiële schade en € 3.500,- aan immateriële schade, bestaande uit shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het juridisch kader
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van.
oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
aantasting in de persoon: 1) door het plegen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de onder b. 3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen.
Vergoeding van immateriële schade zoals onder b. 3) bedoeld kan ook plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of verwond (zogenoemde ‘shockschade’).
In zijn arrest van 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958) heeft de Hoge Raad over vergoeding van de ‘shockschade’ nog het volgende overwogen:
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijk schokkende gebeurtenis;
de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
Immateriële schade
In dit geval heeft de benadeelde partij live op de camerabeelden meegekeken en gezien hoe zijn broer [benadeelde 1] met een vuurwapen werd bedreigd en met tiewraps werd vastgebonden. De benadeelde partij stelt dat de broers een hechte band hebben, nu zij samen het bedrijf hebben opgericht, zij samenwerkten en elkaar ook privé vaak zagen. Het bestaan van een hechte relatie is verder niet onderbouwd. Gelet op de jurisprudentie op dit punt is de vraag of deze relatie in juridische zin als voldoende hecht gekwalificeerd kan worden. Los wat hiervan zij, strandt de vordering naar het oordeel van de rechtbank op onder meer de ernst van het aan het slachtoffer ( [benadeelde 1] ) toegebrachte leed. De rechtbank stelt voorop dat het voor de benadeelde partij heel moeilijk moet zijn geweest om de overval op zijn broer [benadeelde 1] live te aanschouwen, maar nu [benadeelde 1] bij deze overval niet gewond is geraakt en de intentie van de daders ook niet op verwonding was gericht, alsook dat de benadeelde partij juist live meekeek met de beelden omdat hij enigszins bedacht was op een onrechtmatige daad (diefstal), is niet komen vast te staan dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens de benadeelde partij. De rechtbank verklaart de vordering op dit punt dan ook niet-ontvankelijk.
Materiële schade
Ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat er voor derden geen (wettelijke) grond is om naast shockschade ook (al dan niet met die shock samenhangende) materiële schade zoals hier gevorderd, voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk verklaren.
7.3
De benadeelde partij [benadeelde 4] B.V.
De benadeelde partij [benadeelde 4] B.V. vordert voor feit 1 een schadevergoeding van € 202,48 aan materiële schade (reparatie autoband), te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de reparatie van de autoband voldoende zijn onderbouwd. Deze kosten staan ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht de gevorderde schadepost dan ook volledig toewijsbaar.
7.4
De benadeelde partij [benadeelde 2] B.V.
De benadeelde partij [benadeelde 2] B.V.