Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-06-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:4768
Civiel recht; Goederenrecht
Bodemzaak
1,370 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10855935 \ CV EXPL 23-4326
Vonnis van 26 juni 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V. te Schiphol,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [postcode] [woonplaats 2] aan het [adres] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 december 2023 met producties; - het extract audiëntieblad van de rolzitting van 3 januari 2024; - de conclusie van repliek van 6 maart 2024; - de conclusie van dupliek van 27 maart 2024 met producties;
- de akte uitlating van [eiser] van 17 april 2024;
- de rolbeslissing van 15 mei 2024;
- de akte uitlating van [eiser] van 29 mei 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 439,35, vermeerderd met rente en kosten. Hij stelt dat dit ten behoeve van [gedaagde] gemaakte zorgkosten zijn, die hij nog heeft moeten voldoen, terwijl de relatie tussen hem en [gedaagde] inmiddels was verbroken en [gedaagde] al een eigen polis had afgesloten. Nu [gedaagde] deze kosten onterecht onbetaald laat, is zij rente en kosten verschuldigd geworden. Op het verweer van [gedaagde] voert [eiser] aan dat hij als hoofdverzekerde op de oude polis verantwoordelijk blijft voor de betaling van de zorgkosten. Deze facturen stonden echter op naam van [gedaagde] , zodat [eiser] deze ten onrechte heeft voldaan. De kosten komen uit de tijd dat de relatie verbroken was, maar er nog wel een gezamenlijke rekening was. Tussen [eiser] en [gedaagde] was er geen gemeenschap van goederen, zodat [eiser] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de betaling van deze kosten.
2.2.
[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat [eiser] de vordering niet heeft onderbouwd, ook niet op verzoeken daartoe van [gedaagde] . Hij heeft haar eerder ook niet gevraagd zorgkosten te voldoen, maar pas toen hij de vordering had aangemeld bij zijn gemachtigde. Zij heeft dus niet aangegeven de kosten te zullen voldoen. Zij heeft ook aan de gemachtigde van [eiser] een onderbouwing van de vordering gevraagd, maar ook toen heeft zij geen facturen ontvangen. Zij betwist enig bedrag verschuldigd te zijn, zodat de nevenvorderingen ook moeten worden afgewezen. De zorgkosten zijn bovendien gemaakt op het moment dat partijen nog samen waren (t/m mei 2023) en een gezamenlijke rekening hadden, waarvan de kosten werden betaald. [eiser] heeft overigens zelf van die rekening bedragen afgeschreven zonder [gedaagde] daarbij te betrekken.
2.3.
Tussen partijen staat vast dat zij een affectieve relatie hadden en dat deze inmiddels is geëindigd. Daarnaast staat tussen partijen vast dat zij ten tijde van die relatie (en de periode direct daarna) een gezamenlijke rekening hadden, waarvan de gevorderde kosten zijn voldaan.
2.4.
De kantonrechter overweegt dat [eiser] niet heeft bestreden dat partijen tot en met mei 2023 nog samenleefden. De rekeningen waarvan hij betaling vraagt zijn van daarvoor (februari 2023 en november 2022). Reeds daarom moet zijn vordering worden afgewezen. Daarnaast overweegt de kantonrechter dat, hoewel tussen [eiser] en [gedaagde] geen sprake was van een huwelijk of geregistreerd partnerschap op grond waarvan er een gemeenschap van goederen was, er wel een gemeenschap was tussen partijen. Zij hadden immers een gezamenlijke rekening. Deze had op het moment dat [eiser] en [gedaagde] hun relatie verbroken moeten worden verdeeld, dan wel op een later moment moeten worden verdeeld met als peildatum de dag dat de relatie werd verbroken (zoals bedoeld in titel 7 van boek 3 BW). Nu de verdeling van dit gezamenlijk eigendom niet heeft plaatsgevonden is het niet ondenkbaar dat er ook kosten van [eiser] zijn betaald van die gezamenlijke rekening, zodat het op de weg van [eiser] had gelegen in deze procedure aan te tonen dat [gedaagde] was overbedeeld ter hoogte van het gevorderde bedrag. Dit heeft hij nagelaten, zodat niet kan worden vastgesteld dat hij een vordering heeft op [gedaagde] .
2.5.
De vordering wordt afgewezen.
2.6.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (en nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 verletkosten.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.